Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s-telde werking) de stremming spoediger doet plaats hebben. Eene zekere vastheid van den bloedkoek bewijst altijd, dat zijn gehalte aan serum gering is, zijne grootte en zwaarte is dan hoofdzakelijk met de hoeveelheid bloedligchaampjes in verband. De weekheid en losheid der placenta kan zoowel op een overwigt van water, als van bloed) igchaampjes, in verhouding tot de vezelstof berusten. In ieder bloedstremsel is het onderste gedeelte der placenta weeker dan het bovenste (hetgeen daarvan afhangt, dat in het onderste gedeelte de bloedligchaampjes relatief in eene overwegende hoeveelheid voorhanden zijn, of de volledige zamentrekking der vezelstof verhinderen). De bloedkoek, bij chlorotische personen, die bij een normaal gehalte aan fibrine slechts weinig bloedligchaampjes bevat, is klein en vast; de bloedkoek van pletorische menschen, bij een normaal gehalte aan fibrine en vermeerderd getal van bloedligchaampjes, is groot en week. — Ten opzigte van het opnemen der bloedligchaampjes in de placenta komen er twee afwijkingen voor. Somtijds zinken namelijk de bloedligchaampjes buitengemeen srtel naar beneden en verkrijgt de placenta, dien ten gevolge, in hare bovenste laag eene lichtere kleur (spekhuid, crusta phlogistica, plastica), terwijl de bloedligchaampjes in de diepere lagen zijn opgehoopt. De meest gewone oorzaak dezer bespoedigde nederzakking is gelegen in eene uitgebreide vereeniging der bloedligchaampjes, ten gevolge van de meerdere kleverigheid van het plasma (bij eenen absoluten of relativen overvloed aan vezelstof) en in de grootere zwaarte der tot zuiltjes vereenigde ligchaampjes. Eene andere afwijking is, dat de bloedligchaampjes afzonderlijk (niet tot rollen verbonden) zeer spoedig naar den bodem zakken en een rood bezinksel vormen; de oorzaak hiervan is in eene mindere kleverigheid van het plasma, of in eene grootere zwaarte van de bloedligchaampjes in betrekking tot het plasma gelegen. De spekhuid is tot nog toe zonder eenige semiotische beteekenis.

[NB. Over het mikroskopische onderzoek van het bloed zie later].

IX.) Vaatstelsel.

liet vaatstelsel (zie over deszelfs maaksel I. bi. 280) wordt in dat der bloedvaten en dat der opslorpende vaten verdeeld; het eerste is bestemd, om het bloed naar de onderscheidene ligchaamsdeelen toe te voeren, en het daarna weder uit dezelven naar het hart te brengen (de bloedsomloop), het laatste voert den ehylus (uit het darmkanaal) en de lympha (het overgeblevene van het blasteem der weefsels) naar de bloedmassa. De voornaamste voortbewegende kracht voor deze circulatie is in de zamentrekkingen van het hart gelegen, verder in de elasticiteit der vaatwanden en in de ademhaling (voor zoo ver het bloed, bij de inademing, in de borstholte en de longen opgetrokken en bij de uitademing, weder uitgedreven wordt). — [Over de werkzaamheid en de ziekten van het hart zie later bij ziekten van de borst.]

1) Slagaderen, arteriae•

De slagaderen, die veel dikkere en meer elastische wanden en eene levendiger zamentrekkingskracht dan de aderen bezitten, zijn altijd volbloed, zoowel bij eenen anaemischen, als hyperaemischen toestand (want hare wanden voegen zich door hun uitzettings- en zamentrekkingsvermogen naar elke hoeveelheid bloed, die zij bevatten). De zamentrekbare wand der slagaderen bevindt zich echter door middel van de zenuwen, die hij bevat, in eene voortdurende matige zamentrekking (tonus) en deze kan, naar den graad der ze-

Sluiten