Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel sterkeren wand dan (le grondvlakte; zijne dikte verschilt naar den al„emeenen ligchaamsbouw en de bijzondere punten (het dikst in de basis van het voorhoofdsbeen , de achterhoofdsknobbels en het tepelachtig gedeelte van het slaapbeen, het dunst in de onderste achterhoofdsgroeven en aan de schelp van het slaapbeen). Bij chronischen, uit het vruchtelijke leven afkomstigen hydrocephalus en bij rhachitis, moet de grondvlakte meer in de schedelholte uitpuilen — Zeer zelden zijn de beide helften van den schedel geheel symmetrisch , somtijds is hij zelfs zeer scoliotisch (I. bl. 36). — De grootste ruimte biedt de bekkeneelsholte op de vereenigingsplaats van haar middelste en achterste derde gedeelte aan. — De schedel van den pasgeborenen is meer rondachtig en van veel sterker vooruitspringende verbeeningspunten (tubera frontalia en parielalia) voorzien; zijne beenderen zijn slechts los (door kraakbeenige strepen) met elkander verbonden, en de groote, vierhoekige fontanel is nog voorhanden; de grootste breedte van het bekkeneel valt een weinig onder de beide wandbeensknobbels (niet tusschen de schelpen van het slaapbeen); de bovenste en onderste rand van het voorhoofdsbeen staan nagenoeg loodiegt te»en over elkander; het achterhoofdsbeen is sterk gewelfd en ligt meer horizontaal , zoodat zich de knobbels juist in het midden der grondvlakte bevinden (waardoor het evenwigt van het hoofd gemakkelijker bewaard wordt). — Uit vele metingen blijkt, dat de grondvlakte van den schedel met het daaraan verbonden aangezigt, van de geboorte af, in verhouding tot den omvang des bekkeneels, aanhoudend toeneemt, maar de schedel in zijn geheel, ten opzigte van het aangezigt, aanhoudend afneemt. Met deze betrekkelijke afname van het bekkeneel gaat eene afplatting van het voorhoofdsbeen en een achteruitwijken van zijnen bovenrand gepaard; verder ngt zich het achterhoofdsbeen meer overeind en puilt dien ten gevolge minder naar achteren uit, terwijl de knobbels meer achterwaarts komen te staan (waarom de nekspieren ook meerdere krachtsinspanning behoeven, om het hootd opgerigt te houden). In hoogen leeftijd wordt de schedel kleiner, ligter, dunner van wanden (somtijds alleen met gedeeltelijke atrophie der beenderen) en brozer ; de naden vergroeijen (het eerst aan de inwendige schedeloppervlakte en aan den pijlnaad), het diploë gaat verloren, zoodat de beide beenplaten digter op elkander liggen en eindelijk tot eene plaat zamensmelten. Merkwaardig is eene door uokitansky beschrevene symmetrische verdunning van den schedelwand, op de hoogte van het zijdelingsche gedeelte der wandbeenderen. Hierbij verdwijnt het diploe in eene langwerpig ronde uitgestrektheid z.oodamg, dat de beide, compacte beenplaten tot eene doorschijnende, papierdunne laag te zamensmelten, rondom welke het diploe wordt opgehoopt en het been uitwendig tot een ongelijkmatig gezwel verdikt.

Naden (suturae) en kraakbeenige naadranden vereenigen de schedelbeenderen met elkander; deze laatsten zijn de overblijfselen van het kraakbeenig omhulsel, dat in de vroegere, vruchtelijke levenstijdperken den schedel vormde, zij hangen vaster met het pericranium te samen dan dit met de heenderen , waarom ook het cephalaematoma (extravasaat onder het pericranium) den naad niet overschrijdt. De voorste fontanel [fonlirulus quadrangularis) verbeent gewoonlijk eerst in het tweede levensjaar, bij groote hooiden iets later dan bij kleine; in hydrocephalische hoofden strekt zij zich ver naar beneden naar den neuswortel uit, en verdeelt het voorhoofdsbeen in twee zijdelingsche, sterk uitpuilende deelen (dubbel voorhoofd). Men heelt voorbeelden van moord door het insteken eener naald in deze fontanel en door drukking op dezelve door werktuigen; zij biedt de geschiktste plaats aan ter onthersening van de vrucht. De driehoekige achterhoofdsfontanel en de zijdelingsche fontanellen zijn bij de voldragen vrucht reeds gesloten. Het openstaan der fontanellen bij volwassenen behoort tot de grootste zeldzaamheden ; overigens zou dit volstrekt geen' invloed hebben op het ontstaan van hersenbreuken (deze ontstaan door aangeboren spleten aan het achterhoofd). Abnormale (onware) fontanellen worden gevormd door dat een been zich

Sluiten