Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar de kruin oploopen , als ook de zen u wen van liet schedeldeksel (nu. supraorbitales , supra- en infralrochleares, temporales en oceipitales) in zich op. De adervleclit van de huid, die met de boezems van het harde hersenvlies door de emissaria santorini en venae diploïcae zamenhangt, geeft oorsprong aan de ven. frontales (meestal ongepaard). supraorbitales , temporales en oceipitales. — 3) De peeskalot (galea aponeurotica) met de voorhootds- en achterhoofdsspier (w. epicranius), eene sterke, vaste aponeurose, die zeer naauw met de huid, maar zeer los (door een slap slratum eellulare aponeuroticum) met het pericranium verbonden is, van voren en van achteren met de genoemde spieren te zamenhangt en ter zijden, waar zij in de aponeurosis temporalis, die de slaapspier bedekt, overgaat, een weinig vaster aan de linea semicircularis gehecht is. — 4) Het pericranium, het beenvlies, is naauw met de naden vereenigd (dewijl er verlengselen van hetzelve in de kraakbeenige stroken diingen), maar is slechts los met de peeskalot verbonden en voert de vaten, die ter voeding in de schedelbeenderen dringen. — 5) Het beenig schedeldeksel, uit twee compacte tafelen en tusschenliggend diploë bestaande; de inwendige (met de arlt. menincjeae in aanraking) voert, wegens hare broosheid, den naam van lamina vitrea en is ongelijker dan de buitenste (door de intpressiones digitatac, sulei venosi en arteriosi, foveae (jlandulares, cristae), zoodat de beide platen niet parallel liggen en de dikte des schedels ongelijk is. Het diploë bevat menigvuldige, in kanalen verloopende v.v. diploïcae, die zoowel met de sinus van het harde hersenvlies als met de adervleclit van de huid te zamenliangen. In het voorhoofdsbeen bevinden zich de beide, met de neusholte gemeenschap oefenende voorhoofdsboezems, die bij platneuzige personen kleiner, bij grijsaards grooter zijn, en wier tusschenschot zelden in het midden staat. In kinderlijken leeftijd zijn de schedelbeenderen zeer poreus en vaatrijk. Over de naden en fontanellen zie hiervoor.

Abnormiteiten van den schede], — De schedel vertoont zeer verschillende misvormingen, zoo als: gebrekkige ontwikkeling (para-, hemi- en microcephalie; I. bl. 48), zamensnielting (cyclopie; I, bl. 49), splijting (I. bl. 50), overtallige vorming (I. bl. 51); hersenbreuk [encephalocele, 1. bl. 37), die een week, kloppend, dikwijls slechts met eene zeer verdunde huid bedekt gezwel vormt, dat somtijds ook nog water bevat en fluctueert (hydrencephaloccle) en door eene spleet in den schedel, meestal aan het achterhoofd, te ■voorschijn komt (overeenkomstig met de spina bifida). — Afwijkingen in de grootte komen als onregelmatige kleinheid (I. bl. 36) en abnormale grootte (1. bl. 36) voor. — Gedaanteafwijking vindt men bij den scoliotischen en hydrocephalischen schedel (1. bl. 36).— Onregelmatige dikte en dunheid van den schedel. De eerste (hypertrophie) vertoont zich als uitwendige hyperostosis, met gelijktijdige sclerosis van het becnweefsel, of als inwendige hyperostosis, met verkleining der schedelholte. Zij is of met vermeerdering van omvang ook van andere beenderen verbonden, of bepaalt zich tot den schedel, of gaat zelfs met atrophie der aangezigtsbeenderen en van het overige geraamte gepaard. Zij is, volgens rokitansky, het gevolg van eene door onbekende oorzaken vermeerderde beenvorming, ontwikkelt zich dan langzaam, meestal in rijpere levensjaren, en is dikwijls met ivoorachtige exostosis op de uitwendige beentafel, met zwelling der inwendige (vooral in de nabijheid van den kroonnaad) en met beenvorming op de dura mater verbonden. Of zij berust op eene acute, van tijd tot tijd terugkeerende, of op eene aanhoudende, chronische ontsteking

Sluiten