Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kelt*zich meestal uit liet diploë. — De verwondingen van den schedel slepen ligtelijk ontsteking van het beenvlies met etter- of ichorvorming, necrosis en afbladering van de uitwendige beenplaat na zich, en genezen slechts met moeite door callusvorming. Het is opmerkelijk, dat beenbreuken met indrukking ligter door wezenlijken callus genezen dan eenvoudige fissuren, zonder verschuiving en indrukking. De genezing begint bij dezen eerst laat en wordt slechts door eenen fibroïden callus bewerkstelligd, die met het beenvlies en de dara mater zamenhangt. Dij kinderen is er indrukking van de schede]beenderen, in de nabijheid van den achter-onderhoek van het wandbeen, zonder breuk mogelijk; gewoonlijk is zij van de baring afkomstig en het gevolg van eene misvorming van het moederlijke bekken, of' van de eene of andere kunsthulp bij de verlossing.

De zachte deelen van den schedel bezitten, naarmate van het maaksel hunner verschillende lagen, ook eene verschillende voorbeschiktheid tot bepaalde ziekten. De huid, met derzelver menigvuldige haar- en smeerbeursjes, is dikwijls de zitplaats van beursgezwellen , uitslagen (eczema, prurigo, tinea capitis) en ziekten van het haar (poolsche vlecht, peliosis, alopecia, dermatokeras, trichauxe). Het uitvallen van het haar bij mannen, schijnt somtijds van het te dikwijls afkorten van het haar en daardoor te weeg gebragte uitputting der groeikracht af te hangen; want een man, die over de 60 jaren oud is geworden, en zich het haar elke maand omstreeks 4"' heeft laten afkorten, heeft gedurende zijn geheele leven, eenen haargroei van 21 voeten voortgebragt, niettegenstaande het haar, dat men niet afsnijdt, slechts ongeveer 2' voet lang wordt (iiyrtl). Met het uitvallen van het haar wordt de tamelijk dikke huid dun en teeder, zoo dat er somtijds de naden der schedelbeenderen doorheen schijnen. In het digte, strekke, vaatrijke onderhuidscel weelsel ontwikkelt zich gaarne eene erysipelateuse ontsteking (hoofdroos), die, wegens den zamenhang van dit celweefsel met het veel lossere der oogleden en van het oor, ligtelijk op deze deelen overgaat en oedeem en ettering veroorzaakt. De strekheid van het celweefsel brengt verder de platte welving van gezwellen, de omschrevene gedaante- en de hardheid der bloeduitstortingen (builen) te weeg.— De peeskalot veroorlooft wel aan de extravasaten en exsudaten, die zich onder haar in het losse celweefsel bevinden, zich in eene groote uitgestrektheid te verspreiden, maar niet, eene omschrevene, gewelfde verzameling te vormen; daarom wordt de galea dikwijls in eene groote uitgestrektheid van den schedel losgemaakt en verwoest, het periosteum van zijne voedende bloedvaten beroofd en afbladering der uitwendige beenplaat te weeg gebragt. ^ roegtijdige insnijdingen kunnen dezen uitgang verhoeden. — Het hoofdgezwel bij pasgeborenen bestaat in oedeem of uitvating van bloed in het onderhuidscelweefsel en is het gevolg van eene, bij de baring, door drukking veroorzaakte mechanische stasis. — Van ziekelijke aandoeningen der vaten vindt men aan den schedel teleangiëctasiën, aan het voorhoofd en het onbehaarde gedeelte van de slapen, aneurysmata, zelden, somtijds verwijding (aneurysma cirsnidcum) der nrt. temporalis en nccipitalis, rigiditeit (met sterke

Sluiten