Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verschijnselen bij strottehoofdsziekten. Daar het strottehoofd het voorportaal der longen kan genoemd worden, en tevens het werktuig der stem is (inzonderheid door zijne onderste stemspleetbanden, daar verder zijn slijmvlies (dat, even als het luchtpijpslijmvlies, de zitplaats van de kitteling tot hoesten is) zoowel met dat van de mond- en keelholte, als van de luchtpijp, in een onafgebroken verband staat, en dewijl het strottehoofd ook deel moet nemen aan de beweging van het nederslikken, — zoo gaan de ziekten van het strottehoofd met zeer verschillende verschijnselen gepaard , van welke sommige echter karakteristiek zijn. Onderscheidene dezer ziekten openbaren zich door plaatselijke materiële veranderingen, die uitwendig aan den hals gezien of gevoeld kunnen worden, of die men, bij de beschouwing der keelholte, (bij diep nedergedrukte tong) kan waarnemen; andere ziekten veroorzaken alleen abnormale gewaarwordingen in het strottehoofd (steken, drukken, krabben, branden, spannen, zamensnoeren, gevoel van droogheid), prikkeling tot kugchen, hoesten (kort, hoog, diep, blaffend, fluitend, kraaijend enz.), veranderde stem (ruw, piepend, lispelend, heesch) of zelfs aplionie, moeijelijke en geluidmakende ademhaling (scherp, ruw, fluitend, piepend, reutelend), geringe en gewoonlijk klompvormige sputa. Dikwijls deelen ook de naburige deelen aan den hals in de ziekte, en dan zijn de nederslikking, de spraak en de bewegingen van den hals belemmerd, niet zelden zijn de lymphatische klieren van den hals opgezwollen. Menigmaal worden bij strottehoofdsziekten ook de longen, ten gevolge van de belemmerde ademhaling, ziekelijk aangedaan, zoodat zij door hare% eigenaardige verschijnselen het ziektebeeld nog vergrooten. De auscultatie van het strottehoofd laat (door de ruwe, raspende, piepende, snorrende, reutelende ademhaling) de vernaauwing der holte en de tegenwoordigheid van vreemde ligchaamen in het cavwn larynyis herkennen; by laryngostenosis klinkt somtijds het laryngeaalademen over beide longen heen, vooral bij de uitademing, en veroorzaakt het zoogen. voortgeplante bronchiaal-ademen aan de borstkas. —De ziekten van het strottek lep je openbaren zich somtijds door overwegende moeijelijkheden in de nederslikking, waarbij vooral vloeistoffen in de luchtpijp geraken en hevigen hoest veroorzaken.

Oorzaken der strottehoofdsziekten. De aanleg tot deze ziekten is dikwijls constitutioneel; de kinderlijke leeftijd voorbeschikt inzonderheid tot croup en catarrhus (die zeer dikwijls voor croup wordt aangezien); zoo kenmerken zich ook de puberteitsjaren door hunne voorbeschiktheid tot acute ziekten van het strottehoofd. Longziekten planten zich gaarne op den larynx voort, inzonderheid de tuberkelzucht. Buitendien doen nog vele andere dyscrasiën, zooals exanthemen, syphilis, mercurialismus-, het strottehoofd dikwijls sympathisch aan. Als gelegenheidgevende oorzaken komen het inademen van koude of met scherpe stoffen verontreinigde lucht, het indringen van vreemde ligchaamen, te sterke inspanning der stemwerktuigen, verkouding enz., vooral in aanmerking.

Ziekten der luchtpijp. Zij komen nagenoeg met die van het strottehoofd overeen. De ontsteking (tracheitis; I. hl. 316) komt als eatarrhale of eroupeuse, acute en chronische voor; de laatste kan tot blennorrhoe, hypertrophie en verzwering van het slijmvlies (luchtpijpstering), tot polypen- en diverti keivorming (I. hl. 317)), tot vernaauwing (II. hl. 126) en verwijding deiluchtpijp (II. hl. 119) aanleiding geven. — Bloedingen (trachcorrhagia, 11. hl. 50) uit de luchtpijp komen zelden voor. — Ook zijn verwoestingen door verettering verzwering of koudvuur (II. hl. 7) niet menigvuldig. — Plaatsveranderingen (II. hl. 145) ondergaat de trachea hoofdzakelijk door de drukking eener vergroote schildklier. — Als abnormale inhoud (II. hl. 154) kan alles

Sluiten