Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van lucht in het gepercutieerde, vaste of vloeibare deel (b. v. het hart, de lever, milt, gehepatiseerde long, vloeibaar exsudaat enz.).

[j\ Percussietoonen, afhankelijk van de dikte der wanden, die zich tusschen de trillende lucht en de plaats der percussie bevinden.

1) Heldere toon (duidelijk, luid, zuiver, nabij) bij dunne en elastische wanden. B. v. de darmen geven in den normalen toestand een' meer helderen toon dan de longen, dewijl de buikwand dunner is dan de borstwand.

2) Iioffe toon (verdoofd, bedekt, onduidelijk, in de verte), bij dikke, weinig elastische, vaste of vloeibare tusschenlagen. B. v. de toon der iongen onder de mamschijf is dofter dan aan den top

der longen. ..

NB. Wordt een volle toon korter, dan moet inj ook doller worden, dewijl bij vermindering der lucht, de wand die haar omgeeft, dikker wordt. Daarentegen behoeft een toon, die dofier wordt, volstrekt niet tevens korter te worden; dewijl de tusschenwand boven de gepercutieerde lucht dikker worden kan, zonder dat de laatstgenoemde daarom in hoeveelheid afneemt.

r) Percussietoonen, afhankelijk van de spanning der wanden,

die zich rondom de gepercutieerde lucht bevinden.

1) Tympanitische toon (klinkend, nagalmend, verstervend, darmachti") bij slappe wanden rondom de luchtverzameling; hij is des te meer tympanitisch, hoe meer de wand verslapt is, en des te minder, hoe meer de wand gespannen is. B. v. de maag en het darmkanaal geven in den normalen toestand eenen duidelijk tympanitischen toon, die echter des te onduidelijker wordt, naarmate hunne wanden steiker door meteorismus worden uitgespannen.

2) Niet tympanitische toon (niet klinkend of nagalmend, scherp afgebroken), bij gespannen wanden rondom de luchtverzameling B v. de longen geven in den normalen toestand eenen niet tympanitischen toon, die echter tympanitisch wordt, wanneer de wanden der longcellen verslappen.

tl) Percussietoon, afhankelijk van de vastheid der wanden,

die de gepercutieerde lucht omgeven.

1) Metaalklinkende toon (met naklank, klinkende echo, amphorisch geluid), bij vaste, gespannen wanden, rondom eene grootere holte (?), die den klank terug werpt; b. v. bij pneumothorax en sroote , luchtbevattende uitholingen in de longen , tusschen een vast weefsel.

e) Percussietoon, afhankelijk van de wrijving der gepercutieerde lucht aan de randen eener naauwe opening.

1) Toon van den gescheurden pot (schervengekletter, bruil dc pot fèlc, kletterende , fluitende toon). Deze wordt, volgens skoda, aan den thorax waargenomen, boven groote, niet diep liggende uitholincen , die lucht 'bevatten en met bronchiaaltakken gemeenschap oefenen. Percutieert men een weinig sterk of is de borstwand zeer elastisch, dan wordt met eiken slag de nitholing zamengedrukt en een gedeelte der lucht snel uit de holte in de luchtpijptakken gedreven. Het fluitende geluid, dat de ontwijkende lucht maakt, vereenigt zich met den gewonen percussieloon der holte en dit vermengde geluid stelt den toon van den gebroken pot daar.

Sluiten