Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der gebreken der klapvliezen en mondingen (soms met verg'roeijing van het hartezakje). In het algemeen kan men aannemen, dat, wanneer de ledige toon zich verder in de breedte uitstrekt (wanneer hij tot achter het sternum en langs dit been meer of minder in de hoogte gaat), het regter hart vergroot is (inzonderheid bij ziekten van het linker ostium venosum) ; dat echter bij eene grootere uitgebreidheid van den ledigen toon in de lengte, de linker kamer liypertrophisch of verwijd is (vooral bij ziekten van de monding der aorta).

Pericardiaal exsudaat geeft aanvankelijk eenen verder in de lengte uitgebreiden, ledigen toon, die echter later, bij eene grootere hoeveelheid exsudaat, eene pyramidale ruimte inneemt, wier top zich ongeveer aan het 2de ribbekraakbeen der linkerzijde, de grondvlakte in de regio epigastrica bevindt.

Aneurysma der opstijgende aörta, geeft eenen ledigen toon boven het midden en aan de regter zijde van het borstbeen.

De plaatsverandering van het hart kan men natuurlijkerwijze insgelijks door de percussie ontdekken; bij longemphyseem der linker zijde is de ledige percussietoon van het hart somtijds geheel en al door den toon der long bedekt.

d) Auscultatie van het hart. Wanneer men in de plaats van eenen normalen hart- of slagader-toon een geruisch (onverschillig van welke hoedanigheid, of het blazend, suizend, gonzend, schavend, vijlend, raspend zij) verneemt, of wanneer er zulk een geruisch zich bijvoegt, dan moet men onderzoeken : of dit een endo- of pericardiaalgeruisch is, of het de plaats van den lsten of van den 2<*en toon inneemt, of het gedurende de systole of de diastole ontstaat (hetgeen door gelijktijdig den polsslag te onderzoeken ontdekt kan worden), en of liet in het hart alleen (dus in het ostium venosum te weeg gebragt) of tevens in de aörta (dus in het ostium arteriosum voortgebragt) gehoord wordt. Bij de beoordeeling van het geruisch in het hart, moet men echter inzonderheid den omvang van het hart, den 2<len pulmonaaltoon en den polsslag der slagaderen in aanmerking nemen; men zij vooral bij eene zeer versnelde werkzaamheid van het hart, bij eenen koortsachtigen toestand, bij verandering van den lsten harttoon alleen, bij het ontbreken van vroeger aanwezige hartverschijnselen, niet te voorbarig met het vaststellen der diagnosis.

In de plaats van den eersten harttoon (vooral van den eersten linkerkamertoon) hoort men dikwijls een duidelijk blazen, en wel bij acute ziekten des bloeds (typhus, exanthemen, acute tuberculosis en rlieumatismus, pneumonie) en bij ch lor os is. Dit geruisch (blaasbalg- of bloedgeruisch) wordt gewoonlijk ook in de slagaderen in de plaats van den eersten toon gehoord (II. bl. 196), en schijnt tengevolge van eene ongelijke trilbaarheid van de onderscheidene stroken van het atrioventriculaire klapvlies te ontstaan (hamernjk). Want dat de oorzaak in het bloed zelf en in deszelfs verhouding tot de holten van het hart zou gelegen zijn, is hoogst onwaarschijnlijk.

Bij endocardiaal geruisch, wanneer de kwaal althans schijnbaar versch en van koorts vergezeld is, is het van belang op te sporen, of het ook misschien van endocarditis (I. bl. 301) afhangt, of op reeds vroeger aanwezige gebreken der klapvliezen en mondingen berust; hier kunnen alleen de secundaire verschijnselen aan het hart, vooral deszelfs vergrooting, eenige zekerheid verschaffen; niet zelden is de onderscheiding echter volstrekt onmogelijk.

1) Geruisch in de plaats van den lsten toon der linker kamer (linker systolisch geruisch), de toonen van liet regter hart en der slagaderen zuiver, alleen de 2de pulmonaaltoon versterkt, en het hart breeder, dan. insufficientie van het mytervormig klapvlies (II. bl. 106).

Sluiten