Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2) Geruisch in de plaats van den 2<leu toon der linker kamer (linker diastolisch geruisch), overigens alles als bij (1), dan: stenosis van het linker veneuse ostium of onevenheden aan het mytervormig klapvlies (II. bl. 107).

3) Geruisch in de plaats van den lsten en 2<len toon der linker kamer, de toonen der aorta zuiver, de 2de pulmonaaltoon versterkt, het hart breeder, dan: insufficientie van het mytervormig klapvlies met stenosis van het linker veneuse ostium

(II. bl. 107).

4) Geruisch in de plaats van den lsten toon der regter kamer (regter systolisch geruisch), de toonen der slagaders zuiver, klopping der strotader; dan: insufficientie van het driepuntig klapvlies (II. bl. 106).

5) Geruisch in de plaats van den lsten toon der linker kamer en van den lsten toon der aorta, het hart langer, de pols klein, dan: stenosis van de monding der aorta (II. bl. 108).

6) Geruisch in de plaats van den 2<len toon der linker kamer en van den 2<ieu toon der aorta, het hart langer, de pols opspringend, ontbreken van den 2J™ toon der carotis, dan : i n s u fficientie van de klapvliezen der aorta (II. bl. 106).

NB. Aan de monding der longslagader komt wel nimmer stenosis en insufficientie der klapvliezen voor (II. bl. 107).

7) Geruisch in de plaats van den 1'ten toon der aorta (en somtijds ook tevens in de plaats van den 2<len) de toonen van het hart zuiver, dan: ziekte (atheromateus proces, verbeening) van den wand der aorta.

NB. Somtijds veroorzaakt eene overtalligc peesdraad, die van den tusschenwand naar het veneuse klapvlies, dwars voor de monding der aorta heenloopt, een geruisch bij den lslen toon der kamer, daarbij ontbreken echter alle secundaire teekenen van hartziekten. — Door het kattengespin bekomen de geluiden somtijds iets sidderends (d. i. het spinnewielgesnor). — Onduidelijker zijn de toonen van het hart te hooren: bij pericardiaal exsudaat (I. bl. 256), bij verdikking van den wand der borst of van het hart (II. bl. 71), bij tusschenplaatsing der long, zwakken hartslag.— Uitgebreider zijn de toonen: bij eene sterke werkzaamheid en hypertrophie van het hart, alsmede bij eene grootere vatbaarheid der omringende deelen om het geluid voort te planten.

Het pericardiale (wrijvings-) geruisch, het zij een zacht aanstrijken (bij een week vezelstof-exsudaat) of een schavend, knersend, zoogen. nieuwledergeruisch (bij eene vaste exsudaatlaag) is het onbedriegelijkste teeken van pericarditis (I. bl. 262); maar deze ziekte kan wel zonder het wrijvingsgeruisch bestaan. Somtijds is het alleen bij de systole hoorbaar, somtijds vergezelt het ook. de diastole, het is niet volkomen synchronisch met de toonen van het liart, maar komt een weinig achter aan (zie I. bl. 262).

Oorzaken der hartziekten. De aanleg tot hartziekten is bij het mannelijke geslacht cn bij eene sterke constitutie, vooral in den eersten mannelijken leeftijd (tusschen het 16de en 35ste levensjaar) het sterkst. Vele gebreken van het hart zijn ook overblijfselen van foetale endocarditis, die echter niet, zoo als bij volwassenen, gewoonlijk in de linker, maar integendeel in de regter helft van het hart voorkomt. De nablijvende gebreken der mondingen en klapvliezen veroorzaken dan gemeenlijk eene slechte voeding, waardoor het kind een scrofuleus aanzien verkrijgt. Door den hoogen ouderdom komen er verdikkingen en verbeeningen in de aorta, het endocardium cn de klapvliezen tot stand. Dikwijls i* de oorzaak der hartziekten in eene overmatige inspanning van het hart gelegen, of in mechanische hinderpalen

Sluiten