Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men, behalve de overmatige vetvorming, hoewel zelden: beursgezwellen en kanker (scirrhus en mergsponsgezwel), nimmer tuberkels. — De af- en uitscheidingskanalen der alvleeschklier zijn, even als die van alle andere klieren, aan vernaauwing en verwijding (zakvonnige of gelijkmatige) onderhevig; ook kunnen zich pancreassteenen in deze gangen vormen.

Ziekteverschijnselen. De ziekten der alvleeschklier hebben nagenoeg alle verschijnselen met de maagziekten gemeen; somtijds zijn nog de volgende verschijnselen eigenaardig bij dezelve: eene vastzittende, aan de zitplaats der alvleeschklier beantwoordende pijn, tusschen den navel en de hartkuil, die dof en onafhankelijk van bet nemen van voedsels is, die in de diepte gezeteld is en door drukking vermeerderd wordt, en menigmalen een gevoel te weeg brengt, als of er een gevvigt aan de maag hing. Spoedig vertoont zich eene opvallende vermagering van het geheele ligchaam, dikwijls ontbreekt ook bij voortduring de eetlust, en somtijds heeft men ook eene zonder merkbare aanleiding of tip het gebruik van bepaalde spijzen volgende braking, vooral waterbrating, waargenomen. Daarbij komen gewoonlijk stoelverstopping, kolijkpijnen en somtijds diarrhoe. Niet zelden ontbreken al deze teekenen, en, dewijl er geene natuurkundige bestaan, kan men de ziekten der alvleeschklier nimmer met zekerheid herkennen.

8) Kieren.

De nieren (I. hl. 309) liggen tegen den achterwand der buikholte, achter het buikvlies, op den m. quadratus lumborum; de regter nier, die, ter oorzake van de lever, een weinig lager dan de linker ligt, wordt door den opstijgenden karteldurm bedekt en komt met het duodenum en de lever in aanraking; de linker, die hooger geplaatst is, is grooter en zwaarder, door den linker karteldarm bedekt en grenst tegen de milt. De onderste uiteinden der beide nieren liggen digter bij elkander dan de bovenste, en wanneer de nieren, gelijk somtijds geschiedt, te zamensmelten, dan grijpt dit altijd van onderen plaats (hoefijzernier; 11. bl. 148). Elke nier is van een vetrijk celweefsel, dat somtijds de zitplaats van lrypertropliie en ontsteking wordt [perinephritis; I. bl. 360) omgeven. Van den rug uitgaande, kan men gemakkelijk langs den buitenrand van den m. latissimus dorsi en door den aponeurotischen oorsprong der m, m. obliquus externus en transversus te klieven, tot dezen vetkapsel der nier doordringen. — De bynieren zijn in een physiologisch en pathologisch opzigt nog raadselachtige organen, met de verrigting der nieren schijnen zij in geen verband te staan, want bij eene aangeboren plaatsverandering der nier, nemen zij toch hare gewone plaats in. Aan de bijnieren heeft men eene in het oog vallende vergrooting en atrophie met slapheid, apoplexie, ettering en verharding, tuberculosis en kanker waargenomen.

Onder de ziekten der nier is de BRiGiu'sche ontaarding {nephritis albuminosa, I. bl. 232) de veelvuldigste, maar ook de minstbekende; zij doorloopt een tijdperk van hyperaemie, infiltratie, granulatie en atrophie, verbindt zich met albuminurie en hydrops en wordt door sommigen als het voortbrengsel eener dyscrasie (albumineuse), door anderen als derzelver oorzaak en als eene zuiver plaatselijke ziekte beschouwd. — Ontstekingen der nier zijn, be-

Sluiten