Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9) Oiulerl»uiksvaten.

De buikholte bevat vele groote slagaderen en aderen, als ook eene menigte lymphatische vaten en klieren. De hoofdstam der slagaderen is de art. aorta abdominalis, die, begeleid door de onderste holle ader en van talrijke lymphatische vaten omgeven, digt voor de wervelkolom naar beneden loopt, in de navelstreek door den buikwand heen kan zamengedrukt worden, somtijds aan eene aneurysmatische verwijding onderhevig is en hare klopping zoodanig aan naburige gezwellen kan mededeelen, dat zij uitwendig aan den buik gevoeld en gezien kan worden. Een der grootste takken der aorta is de art. cocliaca, wier oorsprong van talrijke lymphatische klieren omringd en wier splitsing in drie takken (de art. lienalis, hepatica en coronaria ventriculi sinistrcï) door de gangliënmassa van den plexus salaris omweven is. — Onder de aderlijke stammen der buikholte zijn de onderste holle ader en de poortader van het meeste belang; de eerste ligt aan dc regter zijde der aorta, digt voor de wervelkolom, zoo dat zij door gezwollen organen of gezwellen, tegen dezelve aan en zamengedrukt kan worden; de laatstgenoemde ontspringt uit de spijsverteringswerktuigen, voert onzuiver bloed naar de lever om gezuiverd te worden (hetgeen door de galafscheiding geschiedt, waarna het door de v. v. hepaticae in de holle ader wordt uitgestort), cn hangt slechts aan den endeldarm (door de v. v. haemorrhoidales met takken der ven. cava injerior te zamen. — De lymphatische vaten, inzonderheid die van het dunne darmkanaal (de eigenlijke chylvaten) bezitten zeer vele klieren, d. z. de darmscheilskli eren, gl. meseraicae; ook zijn er inde lymphatische lenden vlecht, die de aorta en de onderste holle ader omstrikt, vele dergelijke geplaatst, d. z. lendenklieren, glandulae lumbales.— Onder de ziekelijke toestanden van genoemde deelen zijn de volgende van belang.

Aneurysma der aörta kenmerkt zich, maar alleen bij eenigen omvang, door de volgende verschijnselen: de aanwezigheid van een duidelijk voelbaar kloppend gezwel in de buikholte, langs het beloop der aörta, welks klopping door verschuiving van het gezwel niet veranderd wordt; een doffen percussietoon boven hetzelve; een standvastig (blaasbalg-) geruisch bij de auscultatie (II. bl. 196); opvolgende ontwikkeling eener hypertrophie van de linker kamer. — De subjective teekenen (pijn, gevoel van klopping of drukking, enz.) zijn, even als de functionele stoornissen in de werktuigen der spijsvertering, ademhaling, bloedsomloop, pis af- en uitscheiding, zonder eenige diagnostische waarde. — Zulk een aneurysma zou kunnen verward worden met eene nerveuse klopping der aörta, die bij zeer prikkelbare, hysterische personen, meestal na opwekkende oorzaken, voorkomt, en of als eene terugkaatsingskramp te beschouwen is, of van hindernissen in den bloedsomloop van den onderbuik afhangt. Zij keert bij verheffingen terug, terwijl men noch door percussie noch door auscultatie iets abnormaals kan ontdekken. Verder kan ook een gezwel (meestal van kankerachtigen aard), dat op de aörta zit, en door haren polsslag in trilling geraakt en dus schijnbaar medeklopt, voor een aneurysma gehouden worden. Somtijds kan men zulk een gezwel van de aörta afschuiven en dan houdt deszelts klopping opj bij de auscultatie hoort men ook geenen diffusen, maar eenen zuiveren aörtatoon (II. bl. 195). — Ontsteking der aörta zie I. bl. 297.

Sluiten