Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Poortaderontsteking, pylephlebitis (I. 1)1. 290), ltan zoowel den stam, als de vertakking der poortader binnen de lever aandoen; buitendien kunnen ook hare worteltakken , zoo als de ven. ileocolica (bij lyphlilis) en haemorrhoidalis interna (na de exstirpatie van aambeijenknobbels) in ontsteking geraken.— Verwijding der poortader en van hare takken, ten gevolge van gestoorden bloedsomloop, komt dikwijls voor en geeft tot haemorrhoïden, slechte spijsvertering en melanotische bloedmenging (I. bl. 240) aanleiding. — Zamendrukking en verstopping der poortader (II. bl. 116) door gezwellen (kanker), geïnfiltreerde lymphaklieren enz. veroorzaakt ascites.— Ontsteking der onderste holle ader, cotlophlebilis (I. hl. 290) komt bijna alleen bij kraamvrouwen voor en is een gevolg der melrophlebilis. — Ontsteking der navelader zie I. hl. 288.

De darmscheilsklieren worden inzonderheid bij typhus (I. bl. 165) en bij tuberculosis in kinderlijken leeftijd (d. i. de sciofulosis; I. bl. 176) de zitplaats van nederzettingen en zwelling. In het eerste geval kunnen zij somtijds veretteren of verschrompelen, in het laatste geval ook verkalken. — De liypertrophie en atrophie dezer klieren, even als die der overige lymphatisclie klieren van het ligchaam, kunnen van eene plaatselijke of algemeene beteekenis zijn (II. bl. 101). — De lendenklieren worden dikwijls door kanker (I. bl. 199) aangedaan en vormen daardoor den retroperitoneaalkanker.

II, Bekken.

Het bekken, het onderste gedeelte van den romp, vormt eenen voor- benedenwaarts afhellenden gordel, uit verscheidene beenderen zamengesteld, die door kraakbeenige schijven en banden aan elkander verbonden zijn; het bovenste, wijdere gedeelte van-dezen ring, dat van voren door de buikbekleedselen wordt gesloten (het groote bekken), dient ter vergrooting van de buikholte en bevat nog een gedeelte van het dunne en dikke darmkanaal, terwijl de holte van het onderste, naauwere gedeelte (het kleine bekken, de eigenlijke bekkenholte) hoofdzakelijk ter bevatting van de pis- en geslachtswerktuigen (de pisblaas, een gedeelte der pisleiders en der urethra, de eijerstokken, de trompetten, de baarmoeder en de scheede, de zaadblaasjes en de prostata) bestemd is, maar ook nog een gedeelte van het darmkanaal (eenige kronkels van hetileum en den endeldarm) opneemt. De onderste opening van het kleine bekken is door eene soort van middelrif (voornamelijk door den m. levator ani en de middelste aponeurosis der bilnaad gevormd), dat door den endeldarm en de pisbuis (de scheede) doorboord wordt, gesloten. Aan den voor- en zijwand van het kleine bekken bevinden zich de foramina obturatoria en de incisurae ischiadicae. Het bekken verhoudt zich tot de onderste ledematen, gelijk het schouderblad en sleutelbeen tot de bovenste; het strekt tot aanhechtingspunt voor de meeste spieren, die het dijbeen in de heupkom bewegen en is dus aan de meeste zijden met dikke spierlagen bedekt. Het bekken kan men in de volgende oppervlakten en streken verdeelen: in de voorste (schaamstreek), zijdelingsche (heupstreek), achterste (bil- en heiligbeenstreek) en onderste vlakte (anus-bilnaad-streek).

Sluiten