Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Topograpliische anatomie van den bekkenwand. Inde schaamstreek bevinden zich voor de schaambeensvereeniging en den schaambeensboog: de scliaamheuvel, de roede en de balzak met de ballen en de zaadstrengen, bij de vrouw de schaamspleet. —In de heupstreek, wier beenige grondlaag door het darmbeen , den hals van het dijebeen en den grooten draaijer gevormd wordt, bevindt zich het heupgewricht. — In de bilstreek vindt men onder de mm. glutaei en rolatures van het dijebeen, de incisura ischiadica major, door welke groote vaten (art. glutaea, ischiadica en pudenda communis) en zenuwen (nerv. ischiadicus, glutaeus en pudendus) uit het bekken te voorschijn komen. Beneden deze insnijding bevindt zich tusschen de ligamenla sacro-spinosum en sacro-tubcrosum de incisura ischiadica minor (voor de art. en nerv. pudend. communis). — De heilig-staartbeensstreek bevat onder hare aponeurosis

het begin van den m. sacro-lumbalis en de achterste takken der nn. sacrales.

De anus-bilnaad-streek is van voren door het begin van den balzak (of de achterste commissuur der schaamspleet), van achteren door de punt van liet staartbeen en zijdelings door het lig. tuberoso-sacrum, den tuber en den ramus ascendens ossis ischii begrensd. In deze streek bevindt zich ter weerzijde van den anus en der raphe, de bilnaadsgroeve. In de bilnaadstreek treft men drie op elkander liggende peesplaten aan, die tusschenruimten tusschen zich open laten, om organen van den urine- en voortplantingstoestel op te nemen. De oppervlakkigste, onder een vetrijk onderhuidscelweefsel liggende aponeurosis ontstaat voor den anus en verliest zich in de dartos (groote schaamlippen), de middelste is digt tegen de ondervlakte van den m. levator ani gelegen en vormt een sterk peesachtig middelrif, dat de openingen van den schaamboog sluit, en door den endeldarm (dc scheede) en de pisbuis (pars mcmbranacea) doorboord wordt; de bovenste peesplaat (fascia pelvi) vormt boven den m. levator ani een tweede diaphragma en omvat alle uit het bekken naar buiten gaande deelen. Tusschen de onderste en middelste peesplaat komt men op de spieren der roede (mm. ischio- en Oulbu-cavernosus), op den m. transversus perinaci, en op de arlt. transversa perinaei en bulbo-urethralis. Tusschen de middelste en bovenste aponeurosis ligt de pars prostatica urethrae, de hals der blaas, de prostata en de endeldarm, de art. pudenda communis en eene belangrijke adervlecht.

Ziekten van den bekkenwand (I. LI. 45). Onder deze ziekten staan de veranderingen in grootte, plaatsing en gedaante der bekkenbeenderen, die meestal met vernaauwing der holte gepaard gaan, bovenaan. Zij zijn of gevolgen van ziekten der bekkenbeenderen zelve, of van de ruggegraat, of van een der onderste ledematen, of van een bekkenorgaan. Inzonderheid sleept de rhachitis (II. hl. 136') misvormingen van het bekken na zich. Men neemt gewoonlijk met osiander de volgende ziekelijke vormen van het bekken aan: 1) het dwars-elliptische, in de rigting der dwarse afmeting elliptische bekken (met eene matige binnenwaartsche uitpuiling van de basis des heiligbeens, kleine conjugata en vergroote dwarse afmeting); 2) het niervormige bekken (met sterke indrukking van het voorgebergte). Tusschen deze beide vormen plaatst kokitansky een bekken, waarin de basis van het heiligbeen eene regte lijn vormt (en derhalve niet aan de kromming van de bovenste bekkenopening deel neemt), van welke de linea arcuata hoekig afgaat. 3) Het co bekken (door sterke uitpuiling van het promontorium en binnenwaartschen stand van de schaambeensvereeniging). Deze drie vormen worden nagenoeg altijd door rhachitismus veroorzaakt. 4) Het regt-elliptische, in de rigting der conjugata, ovale of elliptische bekken (waarbij de voor-achterwaartsche

Sluiten