Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doormeting grooter is dan de dwarse) komt met cyphosis verbonden voor. 5) Het scheeve bekken, de menigvuldigste misvorming, somtijds aangeboren, gewoonlijk echter van rhachitischen oorsprong, of het gevolg van scoliosis of van coxalgische ontwrichting, daarbij heeft men: verkorting van eene schuinsche afmeting, hoogere plaatsing cn mindere helling van de daar aan beantwoordende bekkenhelft. De voorwaarden hiertoe zijn zijdelingsche afwijking en draaijing van het heiligbeen, mindere buiging of binnenwaartsche buiging der linea arcuata, van de heupkommen uit. Hiertoe behoort, als eene ondersoort, het scheef vernaauwde bekken van hügele, dat door eene aangeboren synostosis ecner symphysis sacro-iliaca en gebrekkige ontwikkeling dier helft van het bekken wordt veroorzaakt. De vernaauwing betreft hier voornamelijk de schuinsche doormeting, die van de niet verbeende symphysis naar het tuberculum-ileo-pectinaeum der zieke zijde gaat, terwijl de andere normaal of zelfs langer dan gewoonlijk is; het heiligbeen is als het ware naar de zijde der synostosis verdrongen, en de schaambeensvereeniging naar de gezonde zijde verbogen, zoodat zij niet regt, maar schuins tegen over het promontorium staat. Rokitansky beschrijft als eene bijsoort van het scheef vernaauwde bekken eenen bekkenvorm, die door eene mindere assymmetrie der beide bekkenhelften, ten gevolge eener halfzijdige verandering van den laatsten lendenwervel, in een' heiligbeenwervel en vergroeijing van denzelven met het heiligbeen, tot stand komt; de bekkenhellt der normale zijde is hierbij wijder, terwijl de linea arcuata eene grootere bogt beschrijft. 6) Het driehoekige bekken: de bekkeningang heeft den vorm van eenen driehoek met afgestompte hoeken verkregen, waarvan de basis door het heiligbeen gevormd wordt. In de hoogere «raden dezer misvorming worden de randen naar binnen gebogen, stooten tegen elkander en kunnen zells gedeeltelijk ineensmelten. De bovenste bekkenopening heeft den vorm van een (kaarten) hart aangenomen. In dit bekken, dat ook eene geringe helling heelt, zoo dat zelfs de schaambeensvereeniging boven het voorgebergte kan staan bereikt de vernaauwing der holte den hoogsten graad. Dit bekken is inzonderheid, maar niet uitsluitend, een voortbrengsel van osteomalacie, de geringere graden komen ook ten gevolge van rhachitis voor. — Coxalgische misvormingen van het bekken (I bl 45) en gedaanteveranderingen ten gevolge van gewelddadige en verouderde ontwrichtingen van het dijbeenshoofd (achter- en bovenwaarts) verschillen, naarmate het gebrek aan beide zijden oi slechts aan eene bestond. In het eerste geval, zijn de bekkenbeeaderen meer of minder vermagerd, vooral het schaam- en zitbeen; de geheele ruimte van het bekken, maar vooral de ingang, is verwijd. Ten gevolge van de vermagering en gelijktijdige verwijding, heeft de bekkenholte in hoogte en hare as in lengte verloren; het bekken is lager, zijne helling grooter geworden; de wervelkolom lijdt in de lendenstreck aan lordosis. Bestond het heupgewrichtsgebrek slechts aan eene zijde, dan wordt het bekken aan de zieke zijde lager en wijder, het heupbeen dier zijde vermagert, de zitbeensknobbel wijkt boven- cn buitenwaarts uit, de uitgang van het bekken wordt daar-

Sluiten