Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij verwijd, de schaambeensboog verkrijgt daardoor eene geringere spanning, de linea innominata wordt vlakker en het darmbeen neemt eene steilere houding aan. De buitenwaartsche buiging van den zitbeensknobbel heeft alleen plaats, wanneer het ontwrichte lid nog tot het gaan gebruikt werd. — Behalve deze misvormingen vindt men nog aan het bekken: losheid en schei ding van deszelfs s yn chondrosen en synostosen; hyperostosis (vooral als osteophytvorming rondom het heupgewricht) en atrophie (bij coxalgische processen en verouderde ontwrichtingen); caries en necrosis (inzonderheid aan het heupgewricht en na decubitus) zijn niet zelden van tuberculeusen aard of gaan van kanker uit; rhachitis en osteomalacie zijn de oorzaken van de misvormingen van het bekken.

Jlt Pistverkiuigen.

1> Pisblaas.

De pisblaas, eene verzamelplaats voor de urine, ligt met haren voorsten, met een los celweefsel bekleeden wand, digt achter de schaambeensvereeniging, en grenst met haren achterwand, die van het buikvlies een overtreksel ontvangt, tegen den endeldarm (of de baarmoeder). ïusschen beide werktuigen blijft eene (door de plicae Douglasii begrensde) uitbuiging van het buikvlies (excavntio rectovesicalis) over, die de onderste kronkels van het ileum bevat. Het hoogste punt der blaas (de bodem), die zich bij derzelver opvulling boven de schaambeensvereeniging verheft, hangt door het lig. vtsicae medium (den vroegeren urachus) en hare zij vlak ten door d eligg. vesicae lateralia (de vroegere artt. umbilicales) met den navel zamen. De blinde zak der blaas rust van voren op de bekken- of middelste bilnaads-aponeurosis, van achteren op den endeldarm. Het voorste gedeelte van dien blinden zak zet zich in den hals voort, die met het begin der urethra door de prostata omgeven wordt. De wanden der blaas worden gevormd door een bleek, glad, met talrijke maar zeer kleine slijmkliertjes bezet slijmvlies (I. bl. 344) en een uit overlangsche en kringswijze vezelen (alleen aan den hals der blaas) bestaand spiervlies [ni. detrusor urinae en sphincter vesicae).

De ziekten der pisblaas betreffen hoofdzakelijk het slijmvlies, en bestaan: in catarrhale (of zelden croupeuse) ontsteking (I. bl. 346), die meestal door opgehoopte en specifiek veranderde urine, door gruis en pissteenen veroorzaakt wordt, dikwijls hypertrophie van den blaaswand, maar zelden verettering na zich sleept. Daarentegen gaat de ontsteking van het celweefsel aan de buitenvlakte der blaas [j/ericystitis; I. bl. 360) gewoonlijk in ettering over. De ontsteking van het buikvliesbekleedsel der blaas vergezelt dikwijls eene meer uitgebreide peritonitis. — Verwoesting van het slijmvlies der blaas (II. bl. 9) kan door catarrhale, tuberculeuse en kankerachtige verzwering, zelden door koudvuur en verweeking tot stand komen. Doorboring of verscheuring van den blaaswand is, als spontaan en primair verschijnsel, eene zeldzaamheid (II. bl. 165). — Bloedingen in de pisblaas (II. bl. 52) hangen van ulccrative (vooral kankerachtige) verwoestingen af, of

Sluiten