Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dooi' andere ontstekingen (I. bi. 219) en ziektetoestanden (I. bl. 221) vergezeld. Somtijds komt er na de baring, ten gevolge van uitputting, eene algemeene of partiële verlamming van het spierweefsel deibaarmoeder voor, die eene ongelijke zamentrekking of belemmering in de involutie der baarmoeder met hevige bloeding te weeg brengt. Vooral is de verlamming van de inplantingsplaats der placenta (I. bl. 351), die met een' polyp zou kunnen verward worden , wegens de uitputtende bloedstorting, met groot gevaar verbonden. — Buiten het kraambed treffen wij de volgende ziekten in den uterus aan: catarrhus (1. bl. 350), die acuut of chronisch verloopen, en verettering, polypen, stricturen, atresiën en baarmoeder-waterzucht (I. bl. 351) na zich slepen kan. — Aan verwoesting (II. bl. 9) is het slijmvlies onderhevig door catarrhale, tuberculeuse en kankerachtige verzwering; de laatste geeft vooral tot doorboring aanleiding; verscheuring der baarmoeder(II.bl. 165) kan gedurende de zwangerschap en bij de baring plaats hebben. — Bloedvloeijing uit de baarmoeder (II. bl. 53) buiten de zwangerschap, het kraambed en de menstruatie voorkomende, berust meestal op een organisch lijden van den uterus.— Hyper- en atrophie (II. bl. 72 en 74) betreffen ineer het scheedegedeelte dan de geheele baarmoeder.— De vernaauwing en verwijding der baarmoeder (II. bl. 132) kan met verdikking of verdunning, met verweeking of verharding harer wanden (II. bl. 142) gepaard gaan.— Gedaante- en plaatsveranderingen (II. bl. 149) ondergaat de baarmoeder zeer dikwijls.— Van de vreemde voortbrengselen komen hier zeer veelvuldig fibroïden (II. 158) en kanker I. bl. 195) voor, zeldzamer tuberkels (I. bl. 184) en hoogst zelden cysten.

Ziekteverschijnselen. De ziekten der baarmoeder, hij welke steeds de bezigtiging (met den baarmoederspiegel), de betasting (onderzoek door de scheede en den endeldarm) en de percussie bewerkstelligd moeten worden, gaan somtijds met persende, dringende, op weeën gelijkende, soms ook met tenesmus en aandrang op de pislozing verbonden pijnen gepaard; de verrigtingsstoornissen betreffen daarbij gewoonlijk de menstruatie, de vatbaarheid ter bevruchting, ter volledige dragt en gemakkelijke baring. Niet zelden grijpen er bij deze ziekten uitvloeijingen (van slijm, etter, ichor, bloed) plaats, ook worden niet zelden naburige organen (endeldarm, pisblaas, scheede, buikvlies) door medelijdendheid aangedaan.

Ziekten van het ei. In de eerste plaats zijn hier van belang: de plaatsveranderingen van het ei (II. bl. 151), als graviditas ovarii, tubaria, interstitialis, abdominalis en vaginalis (?), alsmede die der placenta (als praevia; II. bl. 152). Verder wijken het ei en de placenta ook niet zelden in hunne gedaante van de regelmaat af (lithopaedion; II. bl. 151, en mola II. bl. 154).— Het amnion is, even als de overige weivliezen, aan ontsteking (I. bl. 277) met hare gevolgen onderhevig, verder aan opvulling met bloed (II. bl. 55) en water (hydramnion). — De placenta ondergaat somtijds insgelijks eene ontsteking (I. bl. 374) en eene apoplexie (II. bl. 46). —, De navelstreng vertoont de volgende abnormiteiten: tegennatuurlijke kortheid of lengte, afwijkende inplanting in de

Sluiten