Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van liet bekken (vooral Je vv. iliacae externae), benevens de vaatverdeeling in de zwangere baarmoeder zelve beschouwen; wegens de drukking der zwangere baarmoeder op de venae iliacae, geraakt er eene mindere hoeveelheid bloed in het boven de drukking gelegen gedeelte dier ader, alsmede in de onderste holle ader. De hierdoor te weeg gebragte mindere vulling en spanning dezer aderlijke stammen, noodzaakt het bloed, dat uit de vv. hypogastricae en uierinae (die boven de gedrukte plaats zich uitstorten) aanstroomt, alsmede dat der vv. spermalicae, met vermeerderde snelheid zich voort te bewegen. De in liet parenchyma der baarmoeder vast omsloten en sterk verwijde aderen staan in eene onmiddellijke gemeenschap met de veel naauwere slagaderen ; deze laatste stuwen haar bloed met eene aanmerkelijke snelheid in de verwijde aderen , en brengen daardoor hare wanden (misschien ook die der vv. iliacaej in trillingen, die als zoogen. placentair geruisch vernomen worden. Dat dit geruisch'somtijds aanhoudend, somtijds tusschenpoozend is, hangt van den graad der drukking af, die de vv. iliacae ondergaan. Is deze drukking zeer belangrijk , dan geraakt er slechts eene zeer geringe hoeveelheid bloeds uit de onderste ligchaamsdeelen in het boven de drukking gelegen gedeelte; het bloed slroomt dan met des te grooter snelheid uit de aderen der baarmoeder, zij ontlasten zich des te. vollediger, en de aanhoudend aanstroomende slagaderlijke bloedmassa, brengt de aderlijke wanden in onafgebrokene of zoo kort op elkander volgende trillingen, dat de tusschenruimten onmerkbaar worden , en er een aanhoudend geruisch ontstaat. Hoe geringer de drukking der baarmoeder op de aderlijke stammen is, des te grooter zijn de tusschenpoozingen van het geruisch; hoe meer de uterus door een groot kind, tweelingen of veel vruchtwater is uitgezet, hoe meer zijne lengteas met die van het moederlijke ligcliaam parallel loopt, des te luider en aanhoudender is het zoogen. placentairgeruisch. [Het schijnt mij toe, dat dit geruisch even als liet" nonnengeruisch , door diepe inademingen versterkt en door hevige en langdurige uitademingen verzwakt wordt. S.]. Overigens kan het abdomiriaalgeruisch ook door groote gezwellen in het bekken en hydrovaria veroorzaakt worden, in welk geval het in de vv. iliacae gezeteld is.

3) Eijerleïder.

De tuba, die uitwendig een weivliezig en inwendig een slijmvliesbekleedsel (met flikkerepithelium; I. bl. 345) bezit, tusschen welke zich eene spierlaag bevindt, is aanharen baarmoedermond het naauwst, terwijl het buitenste uiteinde met het ostium abdominale en de franjes, trechtervormig verwijd is. — De ziekten der trompet die ook de zitplaats van het ei kan worden (bij de granduas tubaria en interstitialis; II. bl. 151) zijn: catarrhus en croup van het slijmvlies (I. bl. 351), de laatste vooral in het kraambed (I. bl 219) met de endometritis verbonden; de eerste is somtijds de oorzaak van sluiting der mondingen en daaruit voortvloeijenden hydrops der tuba (I. bl. 352). - Bloedvloeiingen der trompet (II. bl. 53) zijn zeer zeldzaam. — Van ziekelijke weefsels vindt men in de tuba: sereuse cysten aan den buikwand, somtijds lang gesteeld, meestal van de grootte van boonen tot hazelnoten, tu berk els (I. bl. 184), zelden in granulatien, meestal m den vorm van infiltratie eener geelachtig witte, spek,kig-kaasachtige, etterig versmeltende, het kanaal verstoppende en het slijmvl.es verwoestende massa; de tuba is daarbij gezwollen, hard op het aanvoelen, als een darm gekronkeld, en haar wand is calleus verdikt; aan de buikmonding is het tubérculeus geïnfiltreerde slijmvlies in den vorm van een bloemkoolachtig gezwel vooruitgedrongen en naar

Sluiten