Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

catarihale zweren te weeg. De croup der scheede komt nagenoeg alleen in het kraambed (1. bl. 220) voor, te gelijk met baarmoedercroup en somtijds ook met pericolpitis (I. bl. 360); buiten het kraambed neemt men hem dikwijls als secundaire aandoening waar bij typhus, huiduitslagen, pyaemie. — Op het slijmvlies der scheede treft men ook zweren aan: catarihale folliculairzweren (1. bl.353), de zoogen. phagedenische (I. bl. 353), de syphilitische, kankerachtige en puerperale (I. bl. 220).— Verscheuring der scheede komt somtijds bij moeijelijke baringen en door ruwe kunstbewerkingen, perforatie door ulcerative verwoesting tot stand. — Over vernaauwing, atresie en verwijding der scheede, zie II. bl. 132, over hare gedaante- en plaatsverandering, zie II. bl. 151. — De ziekten der scheede kenmerken zich door plaatselijke teekenen en worden slechts door gewetenlooze Geneesheeren zonder het onderzoek met den baarmoederspiegel behandeld.

5) Mannelijke geslaclitsdeelen.

a) De bal met den bijbal (I. bl. 372) wordt niet zelden door ontsteking aangedaan (orchitis en epididymitis, I. 1)1. 372), die zoowel verettering, als calleuse verharding na zich slepen kan. Verwoest wordt de bal door ontstekingachtige of tuberculeuse verettering of door kankerachtige verzwering. — De vergrooting van den bal (sarcocele) ontstaat hoogst zelden uit eene ware hypertrophie, bijna altijd is zij het gevolg van aderlijken bloedstilstand (vancositeiten, II. bl. 114) of van ontsteking met hare voortbrengselen, of van vreemde weefselvorming (kanker, tuberkels, zelden cysten). Atrophie van den bal (II. bl. 100) kan van marasmus al-

hangen of door drukking, vergroeijing, ontsteking en slechte voeding van den bal tot stand komen. — De kanker (1. bl. 2UU) is gewoonlijk een mergsponsgezwel en zetelt zich bij voorkeur in den bal, terwijl de tuberkel (I. bl. 184) gewoonlijk in den bijbal wordt afgezet

b) De zaadstreng, inzonderheid het vas deferens, wordt gewoonlijk van uit den bal of het zaadblaasje door ziekten aangedaan, het menigvuldigst komt in dezelve de varikeuse toestand van den plexus pamviniformis (als varico- of cirsocele, II. bl. 11-t) v')0rj verder treft men ook verdikking en calleuse verharding (waarschijnlijk het gevolg eener ontsteking), zelfs verbeening van den wand der afvoerende buis, alsmede kankerachtige en tuberculeuse ontaar-

' c) De scheederok van den bal (I. bl. 276) is aan dezelfde ziekten als alle andere weivliezen onderhevig; maar bijzonder dikwijls treft men hier ophoopingen van verschillende vloeistoffen aan (water, bloed, sereus exsudaat, dunnen etter), die met den naam van »hydrocele" bestempeld worden (II. bl. 59) en dikwijls het gevolg van ontsteking (I. bl. 276), bloeding (II. hl. 55) enz zijn.

d) De zaadblaasjes lijden door hun slijmvliesovertreksel aan eenen catarrhus (I. bl. 349), die niet zelden chronisch wordt en tot verdikking en calleuse verdigting (zelfs tot verbeening) der wanden aanleiding geeft. — Verwijding der zaadblaasjes (II. bl. l-«)

Sluiten