Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel is waar, in «1e meeste physiologische weefsels, als ook in vele pathologische voortbrengselen (inzonderheid in de etterligchaampjes) voorkomt, niet de eenige is, die bij de vorming van organische weefsels in aanmerking komt; dat verder, noch de kernligchaampjes tot het ontstaan der kernen, noch deze tot het ontstaan der cellen volstrekt noodzakelijk zijn, maar dat er ook eene primaire zelfstandige celvorming, als ook de vorming eener celmembraan onmiddellijk rondom een hoopje van korrels voorkomt. Bij ziekelijke nieuwe vorming neemt men zelfs eene onmiddellijke ontwikkeling van vezelen en vliezen uit het blasteem waar. Tegenwoordig kan men alleen zeggen, dat de meeste weefsels oorspronkelijk uit kernen met of zonder cellen, en slechts zeer weinige, misschien uit cellen zonder kernen gevormd worden. — Wat de vermeerdering der cellen betreft, deze geschiedt, of van uit het cytoblasteem op zoodanige wijze, dat zich iedere cel afzonderlijk ontwikkelt en dan op zich zelf voortgroeit, of met andere cellen zamensmelt; of dat zich nieuwe cellen (dochtercellen) binnen de oude (moedercellen) vormen (endogene celvorming); of zich uitwendig op de moedercel ontwikkelen (exogene celvorming); of dat de cellen verdeeld worden door dwarse en overlangsche tusschenschotten die van uit den celwand in de holte voortgroeijen en eindelijk te zamen komen (in de planten). — De verdere ontwikkeling der cellen geschiedt op de volgende wijze: de cellen behouden hare zelfstandigheid (door dat zij niet met andere zamensmelten, noch ook zich zeiven verdeelen) eii veranderen slechts langzamerhand in gedaante, inhoud en scheikundige zamenstelling (zoo als de epithelium-, epidermis-, pigment-, vet-, gangliën-, parenchyma-, bloed-, lympha-, ettercellen); of zij verliezen hare zelfstandigheid, doordien de wanden van naast elkander gelegene cellen, of hare nieuw gevormde dochtercellen onderling zamengroeijen (celvezelen en kanaaltjes vormend) waarbij de holten der cellen of gescheiden blijven of door scheuring der zamengegroeide celwanden onderling communiceren. In vele cellen blijven de celkernen onveranderd bestaan, in andere verdwijnen zij, in nog andere ontwikkelen zij zich tot vezels (kernvezels); ook schijnen zij zelfs in cellen (bij de endogene celvorming) te kunnen overgaan of zich te kunnen verdeelen. — len opzigte van de krachten, die hare werking in de cellen openbaren (en wel grootendeels van scheikundigen en physischen aard zijn), kan men eene plastische en metabolische kracht aannemen; de eerste bestaat daarin, dat elke cel uit het haar omringende blasteem die stoffen opneemt, die voor hare eigenaardige ontwikkeling en groei noodzakelijk zijn (zoo dat zich uit eene en dezelfde vloeistof zeer verschillende elementaircellen ontwikkelen en voeden kunnen); door middel harer metabolische kracht zijn de cellen verder in staat de stoffen, die zij uit het cytoblasteem hebben opgenomen, scheikundig om te werken.—- Over pathologische weefselvorming, zie I. bl. 111.

liet cytoblasteem, de kiemstof, het blasteem (I. bl. 112; is van het bloedplasma afkomstig en bij zijne vorming steeds vloeibaar en amorph. Later kan het blasteem, den vloeibaren vorm

Sluiten