Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vezelig uilgetrokken kernen bevinden, en vooral in de uitgedruppelde vloeistof ook korrelige, matte kernen en dergelijke kernhoudende cellen. Deze vezelstof, ten gevolge van een ziekteproces (ontsteking) uitgezweet, moet de grondlaag der celweefselachtige en fibroïde voortbrengselen vormen.

c) Versmeltende, croupeuse vezelstof (rokitansky). Deze onderscheidt zich van de overige soorten door hare mindere kleverigheid en ondoorschijnendheid , alsmede door eene matwitte, naar het gele en groenachtige overhellende kleur; het stremsel bevat behalve wei ook eene groote menigte bloedligchaampjes (hetgeen reeds de snelle stremming aanduidt). Het mikroskoop vertoont: eene klompachtige of klompachtig vezelige grondmassa of een matgestreept vlies, dat wegens eene groote menigte fijne stipjes ondoorschijnend is; tegelijkertijd op en naast liaar een groot aantal kernachtige voortbrengselen en ontwikkelde matte, korrelige kernen en dergelijke meer of minder ontwikkelde cellen (etterkernen en ettercellen).

d) Bij den hoogeren graad der croupeuse ontaarding is het stremsel nog minder kleverig, zeer ondoorschijnend en geelachtig groen of wegens de ingesloten bloedligchaampjes, grijs- of bruinroodachtig van kleur, het bestaat uit eene digte, fijn korrelige massa, kern- en celvormingen, die in verschillende verhoudingen meer en meer tot de etterkern en ettercel naderen, en die gezamenlijk door een taai, vormloos bindmiddel bijeengehouden worden, zonder vezelnet of ander vezelig maaksel.

NB. Deze vezelstofsoorten, die zoowel binnen het vaatstelsel of in extravasaten als in exsudaten gevonden worden, bezitten, volgens rokitansky , reeds oorspronkelijk de neiging tot weefselvorming (bij a en b) of tot versmelting (bij c en d), ja, eene dezer beide veranderingen is reeds in dezelven aangevangen. (Over de gedaanteverwisselingen van het vezelstofstremsel zie later bij vezelstofexsudaat).

1 SB. Ontsteking en Iiare voortbrengselen, n) Ontsteking.

«ij de ontsteking (I. bl. 84) zijn de mikroskopische verschijnselen de volgende: in den aanvang (in het tijdperk der ontstekingachtige congestie) treedt in de eerste plaats na de inwerking van den ziekteprikkel somtijds, maar niet altijd, eene vernaauwing der haarvaten met gelijktijdige versnelling van den bloedsomloop door dezelven in; daarop volgt, vroeger of later: verwijding der haarvaten met vertraging van den bloedstroom. Menigmaal is de verwijding het eerste verschijnsel en wordt zij niet door vernaamving voorafgegaan; in alle gevallen brengt zij eene sterkere opvulling der haarvaten met bloed, derhalve capillaire injectie en ontstekingsroodheid te weeg. [Volgens bidder kan echter eene, bij de ontsteking plaats hebbende verwijding der haarvaten niet met overtuigende zekerheid aangetoond worden, terwijl men daarentegen alleen eene ophooping van bloedligchaampjes in de haarvaten (misschien ook in de plasma-laag), misschien bij verminderde tonus en verhoogde permeabiliteit der vaatwanden, met zekerheid ontdekken kan]. De vertraging der bloedsbeweging gaat vroeger of later in eene oscillerende beweging van het bloed in de verwijde haarvaten over en de bloedligchaampjes beginnen aan elkander te kleven (als rollen geldstukken). - Nu vertoont zich (in het tijdperk van stasis) een stilstand in het bloed; daarbij

Sluiten