Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6) OntstekingacHtig exsndaat (I, bl. 88).

Het primaire exsudaat dat de ontsteking heeft voortgebragt, bestempelt men gewoonlijk, naar zijn overwegend gehalte aan vezelstof, eiwit, serum en bloedligchaampjes, met den naam van fibrineus, albumineus, sereus of haemorrhagisch exsudaat. Elk dezer exsudaten ondergaat bepaalde gedaanteverwisselingen (I. bl. 93), die gedeeltelijk van zeer toevallige (mechanische, chemische en organische) omstandigheden, deels van eene eigenaardige, reeds vooraf in dezelven aanwezige vatbaarheid schijnen af te hangen.

a) Het vezelstofexsudaat (I. bl. 88), dat zich door zijne spontane stremming kenmerkt, die ten opzigte van hare mikroskopische bij zonderheden met de stremming van de intra- en extravasaat vezelstof (II. bl. 307) overeenkomt, bevat, volgens rokitansky, verscheidene ondersoorten, namelijk:

a) Het eenvoudige of plastische vezelstofexsudaat (I. bl. 89), dat met de voor organisatie vatbare vezelstof des bloeds (II. bl. 308) overeenkomt en b) het croupeuse vezelstofexsudaat (I. bl. 89), met zijne variëteiten, met de croupeuse vezelstof des bloeds (II. bl. 309) overeenkomende. — Engel's exsudaatvezelstof, zie I. bl. 90.

b) Het eiwitexsudaat (I. bl. 90) vertoont aanvankelijk geenen mikroskopischen vorm, hoogstens toevallig bijgemengde bloedligchaampjes; eerst langzamerhand ontwikkelen zich in hetzelve korrelige en kogelachtige vormelementen, waardoor het vroeger op synovia gelijkende exsudaat meer of minder troebel, dik en melkachtig wordt. De mikroskopische ligchaampjes, die zich in dit exsudaat, gelijk ook in het algemeen in elk blasteem vormen, maar voor het grootste gedeelte niet tot het zamenstellen van weefsels kunnen dienen, zijn (volgens iienle) de volgende:

1) Elementairkorreltjes (nucleoli): donkere, rondaebtige molekulen, van 0,001—0,002"' dm. , wier chemische zamenstelling nog niet met zekerheid bekend is, maar die aan de fijnere, uit vet en een proteïn-omhulsel gevormde kogeltjes in den cbylus , het dojer en de melk schijnen gelijk te zijn. Van sommige fijnkorrelige nederslagen van organische en anorganische stoffen, onderscheiden zij zich door hunne donkere randen en hunne grootte, van monaden door het gemis van beweging en hun afzonderlijk bestaan.

2) Exsudaatligehaampjes (van valentin) : rondaebtige, min of meer wratachtige, van etterligchaampjes door hunne witte kleur verschillende elementen , die zich pleistervormig aaneenvoegen en in ettercellen zouden veranderen. Het schijnen kernen (nuclei) te zijn , die kernligchaampjes (nucleoli) bevatten. — Men vindt ze, volgens henle , in grooter aantal in vaste dan in vloeibare exsudaten ; zij zijn kogelrond, blaasvormig, met eene ruwe oppervlakte en eenen korreligen inhoud, van 0,002—0,005'" dm.; in water en azijnzuur veranderen zij niet.

3) Ontstekingskogels, d. z. conglomeraten van korreltjes (eenvoudige hoopjes van korrels), die, zonder vliezig omhulsel, door een vast-week, vormloos, geleiachtig, (albumineus) bindmiddel worden zamengebouden; zij vertoonen zich bij opvallend liclit wit, bij doorvallend geel, naar het bruinachtige overhellend; de kleinere zijn kogelvormig, de grootere rondachtig, ovaal, kolfvormig en bijna altijd plat. Ue korreltjes, die deze aggregaten vormen, gelijken door hunne donkere omtrekken op kleine vetkorreltjes en elementairkorrels; in een hoopje bevinden zich niet zelden een of twee, maar

Sluiten