Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook wel meerdere grootere korrels, die zich duidelijk als vetblaasjes kenmerken. Azijnzuur lost het bindmiddel op en bewerkt daardoor dat de korreltjes, welke dit reagens niet aantast, zich van elkander scheiden. Van de exsudaat-ligcliaampjes onderscheiden zich de ontstekingskogeltjes door hunne donkere kleur, als ook door de mindere regelmatigheid hunner omtrekken , want terwijl de kleine opzittende of ingesloten molekulen aan den cirkelronden rand der exsudaatligchaampjes slechts geringe onevenheden te weeg brengen , wordt de rand der ontstekingskogeltjes inzonderheid door onregelmatig opeengehoopte , grootere korrels gevormd en doet zich daardoor veeleer getand dan oneven voor. Niet zelden heeft men tusschen de korrels der ontstekingskogels bloedligchaampjes waargenomen. Vogel houdt de ontstekingskogels deels voor ontbonden korrelcellen, deels voor opeengehoopte elementairkorreltjes; zij ontstaan overigens ook in het blasteem zonder eenige ontsteking (s/e later bij het vormingsproces der korrelcellen).

4) Etterligchaampj es: geelachtige, korrelige kogeltjes van 0,005'" tot 0,006"' dm., die in water opzwellen, doorschijnend worden en eene kern vertoonen, die zelden eenvoudig is , gewoonlijk uit 2—4 korreltjes bestaat, en door de inwerking van water of azijnzuur spoedig in deze korreltjes gescheiden wordt (zie verder bij etter; II. bl. 316).

5) Exsudaatccllen: cellen die vrij weJ met de etterligchaampjes overeenkomen, maar van eene eenvoudige, niet zamengestelde of deelbare kern voorzien ; zij gelijken op epitheliumcellen ; hare kern is rond of ovaal, eenvoudig of korrelig, bevat kernligchaampjes of niet; de schil, die doorschijnend of zwakkorrelig is, wordt in azijnzuur op gelost. Zij komen zeldzaam voor.

6) Korrelcellen (vogel), gevulde cellen (uenle) : cellen, die met donkere , aan de elementairligchaampjes gelijke molekulen meer of minder zijn opgevuld, tusschen welke eene korrelige kern (met een kernligchaampje) gelegen is (derhalve ontstekingskogeltjes met eenen doorscliijnenden cclsvand). Zij zijn meestal grooter dan de etterligchaampjes; bare korreltjes zijn in azijnzuur en potasch onoplosbaar, maar laten zich in aether oplossen en bestaan derhalve uit vet. Volgens vogel stellen de korrelcellen ligcliamen van Vaoo—Vso"' dm. daar, die deels volkomen rond cn kogelvormig, deels langwerpig, onregelmatig, zelfs hoekig zijn. Zij verschijnen op het eerste gezigt als een agglomeraat van kleine korrels (van '/soo—Viooo'" dm.); bij doorvallend licht zien zij er donker, bruin of zwartachtig, bij opvallend licht wit uit. De jongste nasporingen leeren dat de korrelcellen zich uit kerncellen ontwikkelen kunnen, en dat zulks bij de vetvorming zoo wel in physiologisclie als pathologische deelen het geval is (zie later bij vetontaardingj.

NB. De genesis der vermelde mikroskopische elementen is nog niet bekend. — Iviemzakken zie later.

c) Het sereuse cxsudaat (I. bl. 90), dat ook den hydrops fibrinosus daarstelt, is eene eiwit- en vezelstofhoudende vloeistof en kan als blasteem voor bewerktuigde deelen optreden. Stremt de in de wei opgeloste vezelstof, dan vormt zij een weeker of vaster coagulum, dat zich onder het mikroskoop volkomen vormloos vertoont, of een onbepaald vezelig of gestreept aanzien heeft en somtijds door eene fijnkorrelige, poederachtige massa bedekt is. Verder ontwikkelen zich in dit exsudaat korreltjes, kernen en cellen van verschillenden aard.

d) Het haemorrhagische exsudaat (1. bl. 90) vertoont onder het mikroskoop eene groote menigte bloedligchaampjes en, naar zijn gehalte aan eiwit en vezelstof, stremsels dezer laatste, alsmede korreltjes, kernen cn cellen.

Sluiten