Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afzettingen uit het bloed, die onmerkbaar of onder ontstekingsverschijnselen tot stand kunnen komen, en verschillende metamorphosen ondergaan kunnen, is men gewoon dyscratische voortbrengselen te noemen. Hiertoe behooren: de tuberculeuse, kankerachtige en tjpheuse massa, als ook misschien het infiltraat deinieren bij den morbus Brightii; de afzettingen bij pyaemie, puerperaal- en exanthematische crasis enz. onderscheiden zich niet van andere ontstekingsproducten. Overigens geldt hier weder wat boven van de voortbrengselen der ontsteking gezegd werd, dat derzelver vormelementen namelijk, zich naar verschillende omstandigheden en in onderscheidene tijdperken ook zeer verschillend voordoen.

«) Tulierkel-massa.

Het tuberculeuse voortbrengsel (I. bl. 127), waarvan men nog niet met zekerheid weet, of het altijd uit eene ziekte des bloeds (tuberc ulosis; I. bl. 174) moet ontstaan ol' ook geheel plaatselijk kan wezen, vertoont zich onder het mikroskoop uit onderscheidene elementen te zamengesteld, wier onderlinge verhouding zeer verschillen kan. Het hoofdbestanddeel is eene meer of min doorschijnende, in grootere hoeveelheden glasachtige grondmassa (blastcem), die vormloos of klompachtig en klompachtig-vezelig is en, even als gestremde vezelstof, door azijnzuur opzwelt en doorschijnend wordt; zij vervloeit het eerst bij verweeking. In dit blasteem ontwikkelen zich: elementairkorreltjes van verschillende grootte, meestal rond van gedaante, in grootere massa's vereenigd van eene gele, bruinachtige kleur en ondoorschijnend troebel; scheikundig verhouden zij zich verschillend cn wel als proteïne-, vet- en (phosphor- en koolzure) kalk-korreltjes; — kernen (cytoblasten met of zonder kernligchaampjes); met zwarte omtrekken: glinsterende, ronde, langwerpige en zelfs staafvormig verlengde kexnen, ol fijne, matte, korrelige. — Cellen (vooral in den grijzen tuberkel), meestal onvolkomen ontwikkeld, onregelmatig, korrelig, bogtig, ingesnoerd, als het ware afgeknaagd en zonder celkern, dikwijls met eenen korreligen inhoud cn licht geelachtig van kleur; bij de verweeking lossen zij zich op en wordt haar inhoud vrij. l)e genoemde elementen komen in de onderscheidene gevallen in eene verschillende verhouding voor. Zelden heeft (volgens vogel) de vormlooze grondmassa het overwigt, veelvuldiger daarentegen de korreltjes, ja somtijds schijnt de geheele massa uit korreltjes te bestaan; van dezen zijn weder de proteïne-korreltjes meestal voorheerschend, zeldzamer zijn de vetkorreltjes in een overwegend getal voorhanden; in vele gevallen (bij de verkalking) heerschen de kalkkorreltjes voor; de cellen ontbreken somtijds geheel en al; menigmaal schijnt daarentegen de geheele tuberkelmassa uit cellen cn kernen te bestaan. (Gerber onderscheidt den tuberkel naar zijnen graad van bewerktuiging in hyalin-, cytoblast-, cel-, celvezel- en vezel-tuberkel). In den grijzen tuberkel zijn de vormlooze massa en de celvorming voorheerschend, in den gelen de korrelige elementen; tusschen deze beiden bestaan er talrijke overgangsvormen. Deze grijze tuberkelmassa kan zich tot de gele ontwikkelen, maar deze laatste kan

Sluiten