Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kersoorten niet voor, hoopen zich daarentegen in de verweekte kankermassa belangrijk op en vercenigeu zich hier wel tot ontstekingskogeltjes en korrelccllcn. Ook dit element heeft niets karakteristieks voor den kanker. 3) Cclvorming (cytoblasten en cellen) inde meest verschillende gedaanten, zoodat ook deze elementen alleen den kanker niet kunnen kenmerken. Dc zoogen. karakteristieke celvormen (kankercellen) komen volmaakt met de epitheliumcellen overeen, die nu eens pleistervormig, dan cylindrisch, dan weder gestaart, getand, knotsvormig enz. verschijnen. Ook is de endogene celvorming den kankercellen niet bij uitsluiting eigen , dewijl zij ook in het kraakbeen wordt aangetroffen.

De celvormige bestanddeelen , die men in den kanker heeft waargenomen , zijn , naar vogel , van tweeërlei aard: a) zulke, die gedurende liet geheele ontwikkelingsproces, waarvoor zij vatbaar zijn, zich nimmer boven den cellenvorm verheffen, maar als cellen weder ten ondergaan. Deze voorbijgaande cellen zijn de eigenlijke kankercellen, en bieden eene zeer groote verscheidenheid aan van de eenvoudige cytoblastcn tot de meest ontwikkelde cellen, die als gestaarte en vertakte cel, als cel met zeer dikken wand, als moedercel met dochtercellen, als dubbele (door de verdeeling van eene of de zamensmelting van twee cellen ontstaande) cel, als korrel- en pigmentcel optreden kan, tusschen welke de menigvuldigste overgangsvormen bestaan. Daaruit volgt, dat men niet aan eenen, van alle andere verschillenden celvorm den naam van kankercel kan geven, en derhalve aan eene enkele cel niet kan zien of zij al dan niet tot eenen kanker behoort; daarentegen worden dikwijls geheele massa's van kankercellen, juist wegens hare verscheidenheid als zoodanig herkend, b) Cellen, die voor eene verdere ontwikkeling in andere weefsels en met name in vezelen vatbaar zijn , en die derhalve slechts op eenen voorbijgaanden ontwikkelingstrap den celvorm bezitten, d. z. 011 twikkelings- of vezelcellen (van klosvormige gedaante, zooals zij ook bij het ontstaan van celweefsel en spiervezelen voorkomen).

4) Vezelen, die nu eens zeer fijn (van Viaoo — Vsoo'" dm.), op die van het bindweefsel gelijkende, dan eens dikker (van '/suo — '/'=oo'" dm.) zijn en op dc eenvoudige, niet dwarsgestreepte spiervezelen gelijken. In het eene geval zijn deze beide soorten van vezelen volkomen ontwikkeld en treden de afzonderlijke vezelen duidelijk te voorschijn, in het andere is de vezelvorming minder duidelijk en zijn de afzonderlijke vezels niet meer met elkander versmolten. Wat haar ontstaan betreft, zoo ontwikkelen zich de vezelen zoo wel uit cellen, als onmiddellijk uit het vaste blasteem. Zij worden door azijnzuur bleek, verdwijnen ook wel geheel en in derzelver plaats komen langwerpig-eironde celkernen te voorschijn. Eene derde soort van vezelen gelijkt op die van het elastische weefsel, dit zijn kernvezelen (dikwijls vertakt, dichotomisch verdeeld, door de inwerking van azijnzuur niet verdwijnend, maar in tegendeel duidelijker te voorschijn komende). 5) Bloedvaten vormen somtijds insgelijks een, hoewel niet wezenlijk element van den kanker. (!) Kankergelei, eene slijmige vloeistof, die zich kenmerkt door de aanwezigheid van eene op slijmstof of pyine gelijkende zelfstandigheid, die door azijnzuur, zwavelzuur ijzeroxydule en galnoten aftreksel tot eene, onder het mikroskoop zigtbare, kleurlooze, streepachtig amorphe

Sluiten