Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

massa stremt. — Behalve de beschrevene elementen vindt men somtijds nog andere bestanddeelen in den kanker (dwarsgestreepte spiervezelen , cel- en vetweefsel, klieren enz.), die echter niet van den kanker zeiven, maar van den bodem, waarop hij zich ontwikkeld heeft, afkomstig zijn. Derhalve moet men de beschouwingswijze van muller beamen, dat de kanker geen heteroloog voortbrengsel is, en dat de fijnste deeltjes van zijn weefsel zich niet wezenlijk onderscheiden van de weefselelementen van goedaardige gezwellen en van de primitive weefsels der vrucht.

Virchow neemt driedeelenin den ontwikkelden kanker aan: het kankergeraamte en zijnen inhoud, het kankervocht, bestaande uit kankerligchaampjes en kankerwei. liet kankergeraamte (stroma , het netvoimige weefsel) bestaat uit bindweefsel op verschillende tiappen van ontwikkeling; nu eens is het jong, onvolkomen bindweefsel, uit langwerpige, in twee punten uitloopende, kernhoudende vezelcellen (celvezelen) bestaande, de zoogen. spilvormige of gestaarte ligchamen, dan eens daarentegen volkomen ontwikkelde, de krulvormige bundels bevattende bindzelfstandigheid (celweefsel).' Even als in het normale celweefsel, zijn ook in de zamenstelling van dit geraamte elastische vezels en bloedvaten in verschillende hoeveelheid bevat. Het kankerstroma vormt meer of minder begrensde ruimten, mazen of' cellen (,alveoli), die nu eens met elkander gemeenschap hebben, dan weder van elkander gescheiden zijn. liet

kankervocht is eene tamelijk dikke, troebele, melkachtige vloeistof, nagenoeg van de consistentie van goeden etter en even zoo homogeen; het bestaat uit de vormlooze kankerwei en de kankerligchaampjes. De kankerwei, die uit eiwit,vet, caseïne, pyïne, slijmstof enz. bestaan moet, is nog niet behoorlijk onderzocht. De kankerl 1 gchaampjes komen in den vorm van kernen en cellen voor, die echter volstrekt niet karakteristiek voor den kanker zijn; in denzelfden kanker vertoonen zij zich in de meest uiteenloopende vormen. De jonge kankercel is volkomen rond, helder als glas, haar omhulsel is dun, glad en doorschijnend, haar inhoud homogeen, zij bezit altijd eene relatief groote, scherp begrensde, meer of minder korrelige, meestal ovale, reeds zonder hulp van reagentia zigtbare, eenvoudige, dubbele of meervoudige kern. Wanneer de cel zich vei der ontwikkelt, ondergaat zij voornamelijk drie veranderingen: de vroeger homogene, doorschijnende inhoud wordt troebel, dewijl er fijne, in azijnzuur oplosbare (proteïn-) molekulen in den'zelven ontstaan; het omkleedende vlies verdigt en verdikt zich, zoodat haar omtrek duidelijker en donkerder wordt; de kern vertoont 1 of 2 groote, glinsterende kernligehaampjes. Te gelijkertijd neemt men ook dikwijls de meest verschillende veranderingen in de uitwendige gedaante der cel waar, die gedeeltelijk door inbuiging, gedeeltelijk door intrekking en tandvorming ontstaan. Naarmate het eene of andere element in den kanker voorheerscht, vertoont hij in zijn uiterlijk aanzien verscheidenheden, die men ter onderscheiding van verschillende kankersoorten, namelijk van vezel-, cel- pigment-, vaat- en geleikanker gebruikt heeft (I. bl. 125).

Ontwikkeling van den kanker. De eerste vorming van <len kanker

11 21

Sluiten