Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet ontstaan van Let celweefsel beschrijft vogel als volgt: de vezelen van dit weefsel ontwikkelen zich uit eene nu eens meer, dan eens minder duidelijke celvorming. In het eerste geval vormen zich primaire kernhoudende cellen in het blasteem, die zich naar beide zijden verlengen en spilvormig toeloopen, ook wel met hunne uiteinden onderling zamengroeijen, en zoodoende in lange, varikeuse vezelen veranderen. Uit deze gest.aarte cellen ontstaan de bindweefselvezelen, door dat elke cel in eene eenige vezel overgaat, of dat uit elke cel, door lijstvormige verdikking, afsnoering en splijting, een bundel vezelen ontstaat. In andere gevallen is het beloop veel minder duidelijk en meer van den cellentypus afwijkende. Men ziet in het bleeke, geleiachtige of somtijds met elementairkorreltjes vermengde cytoblasteein vele, dikwijls in regelmatige rijen gerangschikte celkernen, zonder dat deze van duidelijke celwanden omgeven werden ; uit dit slechts onvolkomen tot cellen omgewerkte blasteem ontstaan onmiddellijk de vezelen. In andere gevallen zijn de cellen wel duidelijk begrensd , maar zeer onregelmatig en vele ook zijdelings met elkander versmolten; somtijds ver toon en zich zeer bleeke, onregelmatige cellen zonder kernen; deze ontbreken echter niet, maar zij zijn slechts verborgen, en komen na de aanwending van azijnzuur duidelijker voor den dag. De kernen bevatten duidelijk kernligchaampjes, die echter somtijds schijnen te ontbreken. Somtijds schijnt de cel vorming zoo geheel op den achtergrond te treden, dat men geen spoor van kernen of cellen waarneemt, en de celweefselvezelen onmiddellijk uit een vormloos, vast cytoblasteem schijnen voort te komen. Hierbij moet men zich wel wachten, de onbepaalde draden en strepen, die de nog niet ontwikkelde vezelstof somtijds vertoont, met reeds gevormde celweefsel vezelen te verwarren.

Volgens kngel vormt zich het celweefsel en het elastische weefsel uit de vezelstof, door dat zich het eerste (I. bl. 117) na voorafgaande kernvorming of zonder deze door splijting van het vliezig geworden blasteem, het laatste (I. bl. 119) zich uit zamengegroeide kernen, maar veelvuldiger door atrophie en splijting van het vliezig gestremde blasteem ontwikkelt. Door langwerpige splijting ontstaan hierin elastische draden, die door eene herhaalde gedeeltelijke splijting dikwijls van rank vorm ig opgerolde takken voorzien worden , terwijl er een netwerk van elastische vezelen ontstaat, wanneer er in een elastisch geworden vezelstofstremsel door opslorping openingen van verschillende grootte en gedaante ontstaan.

ft) IFibroïd weefsel*

Het fibroïde (I. bl. 118), op het normale vezeldradige (I. bl. 380) gelijkende weefsel, — dat in de zamenstelling van vele ziekelijke gewrochten voorkomt (wier stroma het inzonderheid vormt), of zich tusschen normaal weefsel inlegt, of omschrevene gezwellen (fibroïden) daarstelt, — ontstaat meestal uit een vast, fïbrineus blasteem, onmiddellijk door splijting van hetzelve in vezels3 ondertusschen schijnt het toch somtijds, even als het celweefsel uit eene kernen cel vorming voort te komen. Overigens spreekt het wel van zelf, dat men in de fibroïde gewrochten niet altijd volkomen uitgewerkte vezelen vindt, maar in verschillende graden van ontwikkeling, en embryonale elementen derzelven. — De verhouding der vezelen in het fibroïde weefsel is, volgens rokitansky, de volgende: 1) in de rigting der vlakte parallel loopende vezelen; 2) vezelvilt, in verschillende rigtingen elkander overkruisende vezelen; 3) de areolaire rangschikking (I. bl. 113), 4) een vlechtwerk van vezelbundels, die elkander onder verschillende hoeken overkruisen en wier tusschenruimtcn door embryonale elementen (kernen in een amorph bias-

Sluiten