Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tamelijk los, vezelacbtig zamenstel; zij zien ei* wit, grijs, bruin blaauwroocl (naarmate van hun bloedgehalte) uit. Onder het mikroskoop ontdekt men behalve ontwikkelde celweefselvezelen, ook nog enkele tot vezelen verlengde kernen, alsmede overlangs aan elkander verbondene kernen, zoodat de geheele ontwikkeling van het gezwel uit kernen schijnt te geschieden. Eene verdere verandering ondergaan deze gezwellen, die van alle de aanmerkelijksle grootte beieiken kunnen (dewijl hun wasdom gewoonlijk tot den dood voortduurt) hoogst zelden, alleen worden de vaten, die zij bevatten, nadat de circulatie in dezelven heeft opgehouden, in celweefsel veranderd. Wanneer dit gezwel in omstandigheden geraakt, die verzwering te weeg brengen, dan vormt er zich uit hetzelve eene bloedende zweer (vooral in de maag).

2) Fibroïden met eenen grondvorm (regelmatige, bekleede fibroïden), met een eigen omhulsel, dat eene eenvoudige of zamengestelde cyste (zie later bij cystenvorming) zijn kan. a) Eenvoudige cystenfibroïden. Naar hunnen inhoud worden deze gezwellen verdeeld: cc) in abortive fibroïden , met eene voor geene bewerktuiging vatbare stof (de waterblaas, de bloeden lijm-(colla-) cyste); (3)iniet ontwikkelde fibroïden, met een blasteem en zelfs eenige bewerktuiging (de eiwit-, vezelstof-, haar-cyste, liet atheroom); •y) ontwikkelde fibroïden (met eenen bewerktuigden inhoud); het zij plaatvormige (concentrische) of straalvormige (bladerige) fibroïden; hiertoe: het sarcoma, de kraakbeen- en been-beurs, het atheroom, het kropgezwel.— b) Zamengestelde cystenfibroïden; ook deze kan men, even als de eenvoudige cystenfibroïden, naar hunnen inhoud in abortive, niet ontwikkelde en ontwikkelde verdeelen ; de laatstgenoemde stellen den gewonen vorm ■der fibroïden in het algemeen, het gewone tibroïd, daar. Somtijds komen er meer dan eene soort van cystenCbroïd bij elkander in hetzelfde gezwel voor, waardoor dit een vreemdsoortig aanzien en eene schijnbare onregelmatigheid verkrijgt.

Den aanmerkelijksten omvang verkrijgen eenige der zamengestelde blaasfibroïden, daarna het vaat-fibroïd. De grootste hardheid hebben de gewone fibroïden en eenige der zoogen. epulis; het weekst zijn daarentegen de vaat-fibroïden. De gewone kleur is de witte, blaauw- of geelachtige; zeer vaatrijke fibroïden of dezulken, die zich uit een ontstekingsproduct ontwikkelen , vertoonen kleurschakeringen van het bleekroode tot het roodbruine of blaauwzwarte. Op de doorsnede vertoonen vele fibroïden eenen glans als van sneeuw, andere van glas; zeer digt ineengeweven fibroïden bevatten eene geringe, losse eene grootere hoeveelheid van eene verschillend gekleurde en meer of minder dikke vloeistof of zelfs bloed. — De aanleiding tot de vorming der fibroïden is in ontsteking, bloedstilstand of in eene nieuwe vaatvorming gelegen. Eenmaal ontstaan zijnde, groeijen vele fibroïden niet meer voort (verscheidene cystenfibroïden en die door uitzweeting gevormd zijn), hoogstens vergrooten zij zich door aanvoeging van nieuwe fibroïden; andere daarentegen groeijen zoo lang voort, tot dat zij op mechanische wijze, of door verlies van hunnen voedingstoestel, of door inwendige scheikundige veranderingen in hunnen wasdom verhinderd worden. De voeding der fibroïden geschiedt of door eene eenvoudige doortrekking met plasma, dat de moederbodem levert, of het fibroïd bezit een' eigenen, inwendigen vaattoestel, dat in de grootere vaten van den moederbodem inmondt. In compacte fibroïden, wier periplierie alleen van vaten voorzien is, zonder dat zij die ook inwendig bezitten, komt er dikwijls verbeening of verzwering tot stand, terwijl deze laatste in compacte vaatrijke fibroïden alleen plaats heeft wanneer de vaten als zoodanig vernietigd zijn. Wordt de verdere voeding der fibroïden afgebroken, dan ondergaan zij de volgende veranderingen: de compacte fibroïden worden met kalkzouten geïncrusteerd ; weekere worden of tot eene bruine, lijmachtige vloeistof opgelost of schrompelen met verlies van water tot eene hardachtige, niet zelden pigmentaardige massa te zamen, in welke men eene kleine hoeveelheid kalkachtige af-

Sluiten