Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

breeder en de kraakbeencel daardoor zelfstandig, zoodat men haar thans eerst door afschrapen als eene cel uit het blasteem kan verwijderen. Of de ontwikkeling der kraakbeencellen overigens altijd op dezelfde wijze geschiedt, moet men nog onbeslist laten. In de oudere kraakbeencel wordt de kern in ecnen vetdroppel veranderd; gezwellen en kraakbeencellen vertoonen na hunne verbeening beenligchaampjes.

Het enchondroom (I. b). 120), — dat of in liet inwendige van het been of aan deszelfs oppervlakte in liet beenvlies, of in zachte (vooral klierachtige) deelen voorkomen (misschien ook in kankergebreken verspreid zijn) kan, — gelijkt histologisch of op waar kraakbeen, hoewel dit zelden het geval is (nagenoeg alleen in zachte deelen), waar zich dan tusschen de kraakbeencellen eene vaste, amorphe intercellulaire zelfstandigheid bevindt, of, zooals veelvuldiger voorkomt (gewoonlijk in en aan beenderen) op vezel dradig kraakbeen, wanneer de kraakbeenligchaampjes meer geïsoleerd zijn en eene vezelige zelfstandigheid tusschen zich hebben. Het vezelige enchondroom onderscheidt zich, naar vogel , alleen daardoor van het physiologische vezeldradige kraakbeen , dat bij het eerste grootere groepen van kraakbeencellen tusschen grootere partijen van vezelig weefsel liggen , zoodat men het fibreuse enchondroom ook als eene verbinding van liet kraakbeengezwel met het vezelige kan beschouwen.

Ö) Slenwe ltloed- en vaatvormlng.

In pathologische weefsels vindt men niet zelden bloed en bloedvaten (I. bl. 121); het eerste kan zoowel door verscheuring van kleine vaatjes uitgestort, als nieuw in het weefsel gevormd zijn; laatstgenoemden kunnen zich of door verlenging van oude, in den moederbodem aanwezige vaten, of zelfstandig in het weefsel gevormd zijn en zich daarna met de normale vaten verbonden hebben. De grondstoffen tot de vorming van nieuwe vaten kunnen alleen door weefsels geleverd worden, die zelf vaten bezitten. De verdere verschijnselen bij de ontwikkeling van nieuwe vaten zyn nog niet genoegzaam opgehelderd, daar ook de normale vorming der vaten bij het embryo nog slechts onvolkomen bekend is. De'tijd, die er tot nieuwe vorming van bloed en vaten noodig is, "schijnt in vergelijking van dien, welken andere ziekelijke producten voor hunne ontwikkeling vereischen, zeer kort te zijn. Vogel zag bloed in een exsudaat, dat nog geene 48 uren bestaan had, en nojis zag in 29 uren talrijke vaten nieuw gevormd worden. Gewoonlijk

is er echter een veel langere tijd voor hunne ontwikkeling noodig.

De bloedligchaampjes, die te gelijk met het plasma in een ziekelijk voortbrengsel zijn afgezet, vindt men in grootere of kleinere eilandjes of strepen verspreid; zoo blijven zij dikwijls langen tijd ingesloten, zonder zelfs eenigzins te veranderen; of zij schrompelen te zamen, worden donkerder en onoplosbaar in azijnzuur, en komen wel in dezen toestand in kleine hoopjes te zamen, om later in cellen besloten te worden; of zij worden opgelost, de kleurstof ver eenigt zich met ontstekingskogeltjes en vormt met dezelven het niement (engel).

De vorming van nieuwe bloedligchaampjes heeft, voor zoo ver engkl kon waarnemen, nog voor dat er vaten gevormd zijn, in de tusschenruimten

Sluiten