Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar nooit in nieuwe voortbrengselen, zamensmeltende cellen, maar altijd slechts sleuven of structuurlooze vliezen. Alle nieuwgevormde .sleuven (die niet alle blijven bestaan) en vaten zijn zeer lang, vertoonen geene talrijke inmondingen of splitsingen, en eindigen aan eene of aan beide zijden blind. Dat de nieuwgevormde vaten met. die van den moederbodem in gemeenschap komen, is wel niet door onmiddellijke ontleding aangetoond, maar wordt door opspuitingen en uit de wijze van groeijen der vreemde vormsels genoegzaam bewezen. Hoe deze vereeniging tot stand komt, kan alleen door eene gedeeltelijke scheuring en gaping van de normale vaten en wel van de allerfijnste verklaard worden, waartoe derzelver verwijding, die met de chronische uitzweeting gepaard gaat, en eene secundaire ontwikkeling tot vaten van meerderen omvang, wel het hare zou kunnen bijdragen. Dat deze nieuwgevormde vaten ook deelnemen aan ziekten van het vaatstelsel, voor zoover zij zich tot de rokken bepalen, kan wel niet onbepaald geloochend worden, maar is toch wegens hun weinig ontwikkeld weefsel en het gemis van vaatzenuwen niet waarschijnlijk. Broch stelt zich de pathologische vaten als eenvoudige leidingsbuizen voor, wier werkzaamheid van uit de vaten van den moederbodem geregeld wordt.

Anatomie der haarvaten. Engel vond bij het onderzoek dezer vaten: 1) dat vele haarvaten geene zelfstandige wanden bezitten, maar met eenvoudige spleten en tusschenruhnlen tusschen de overige deelen van het weefsel gelijk staan; maar dat de rangschikking dier tusschenruimten door de rangschikking der weefselelementen bepaald wordt en onveranderlijk is. Zoo verbonden zij zich in de caverneuse, erectile weefsels, teleangiëctasiën, in vele mergen bloedsponsgezwellen. 2) Er zijn haarvaten, wier wanden zeer vast met het omgevende parenchyma vergroeid, met hetzelve te zamengesmol ten zijn, zoodat zij hunne zelfstandigheid verloren hebben en zich als buisvormige spleten in het parenchyma voordoen. Dit is vooral in hoogen ouderdom het geval. — 3) Andere haarvaten vergroeijen wel met den omtrek, maar behouden zelfstandige, duidelijk herkenbare wanden. —4) Er zijn haarvaten, wier afzonderlijke praeparatie ligt gelukt en die door een meer of minder weerstand biedend vlies gevormd worden. Zij ontwikkelen zich het gemakkelijkst in pathologische deelen. — 5) Ieder weefsel bevat in het volwassen organismus eenen bepaalden vorm van deze 4 soorten van haarvaten; in het algemeen neemt men waar, dat hoe vaster het (physiologische of pathologische) weefsel is, de haarvaten des te meer de zelfstandigheid hunner wanden verliezen, terwijl daarentegen de vastheid dier wanden in een los weefsel veel grooter is. Hierop komen echter uitzonderingen voor. — 6) Er bestaat geen onderscheid van maaksel tusschen de slagaderlijke en aderlijke haarvaten. — 7) In sommige weefsels zijn de haarvaten van meer of minder sterke celweefscllagen (waarvan de vezels overlangs loopen of viltig gevlochten zijn) omgeven, in andere ontbreken zij, in nog andere bezitten zij eene eigenaardige scheede.— 8) De vastheid, dikte en ondoorschijnendheid (bleekgele kleur) der haarvaten nemen in het algemeen met den ouderdom toe. Zij vormen zich dan eenen zoogen. glasrok, waardoor zij vaster, taaijer, brozer en brokkeliger worden. Het dikker worden bestaat niet in eene eenvoudige vermeerdering van massa, maar ook in dc afzetting van eene vreemde stof in den

Sluiten