Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaatwand. — 9) Haarvaten, wier wand vrij is, bestaan slechts uit 1 of 2 rokken. In het eerste geval is deze rok gewoonlijk van afwisselend geplaatste, maar ook dikwijls onregelmatig verstrooide, langwerpig-eironde kernen voorzien, in het laatste geval is de uitwendige rok, die op dezen inwendigen volgt, altijd met dwarseironde kernen bezet. Met den voortgaanden ouderdom neemt de inwendige rok^niet zelden veel meer dan de uitwendige in broosheid toe, en verliest naar het schijnt zijn zamentrekkingsvermogen; daarom ziet men hem niet zelden in de lengte geplooid, en scheidt hij zich ligter van den uitwendigen vaatrok af en wordt bij eene sterke drukking tot kleine stukjes versplinterd. Haarvaten, wier wanden nog wel zelfstandig, maar toch met den omtrek vergroeid zijn, worden door een dun vlies, dat van onregelmatig verstrooide kernen voorzien is, gevormd, en waarin toch ook talrijke, korte, gedraaide, donkere vezelen bemerkt worden. — 10) Ten opzigte van de zenuwen der haarvaten ontdekte engel het volgende: nimmer ziet men dat de zenuwen zoogen. eindlussen rondom de haarvaten maken, evenmin kan men aantoonen dat de zenuwvezelen, wanneer zij op de haarvaten overgaan, zich in een net van fibrillen verdeelen. Naar de verhouding der zenuwen bij de insecten, zou men misschien kunnen aannemen, dat eene zenuwvezel, op een haarvat overgaande, zich volkomen met deszelfs wand identificeert, of dat de zenuwvezel allengs in een ander weefselelement overgaat. Zoo veel is zeker, dat er inderdaad primiIicf-zenu w \ezelen aan de haarvaten eindigen; dit heeft echter in den regel aan vaten van 0,0009 p. d. dm. plaats, die zich weder herhaalde malen in èen stelsel van fijnere vaten vcrdeelen, terwijl aan die fijnere vaatjes geen spoor van zenuwen te ontdekken is (hoewel zij zich, door hunne contractiliteit op onmiddellijk aangebragte prikkels te zamentrekken). Men vindt altijd slechts eene primitiefvezel (van 0,0001 p. d. dm.), die zulk een vat vergezelt, en in zigzag voortloopende, vast tegen het vat aanligt, haar uiteinde aan het vat is duidelijk te zien en afge • rond, zonder knodsachtigc opzwelling. Daaruit schijnt te blijken , dat een zeker getal van haarvaten, die tot zulk eene groep behooren, zich ook op dezelfde wijze tegenover aangebragte prikkels moeten verhouden. — 11) De wijze, waarop een prikkel op de haarvaten werkt, of hij zamentrekking der wanden, of onmiddellijke verwijding veroorzaakt, hangt af van den aard der prikkeling, hare sterkte, den duur harcr inwerking en vooral van den toestand (de uitzetting of vernaauwing), waarin zich het haarvat reeds bevindt, zoodat dezelfde prikkel, waardoor een verwijd vat vernaauwd wordt, een normaal tot verwijding zal kunnen brengen.

e) Vettveefsel.

Vet komt niet zelden als ziekteproduct voor, en is of als zoodanig uit het bloed afgezet geworden, of uit verbindingen met andere stoffen vrij gemaakt, of het heeft zich eerst door een secundair proces uit proteïnstoffen gevormd (vetontaarding; I. bi. 131). Het vet kan in den vorm van vetweefsel voorkomen (I. hl. 121), waarbij cellen met eenen amorphen celwand vloeibaar vet als celleninhoud be-

Sluiten