Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vatten, of als vrij vet, inden vorm van vetdroppels of vetkorreltjes (I. bl. 121). liet pathologische vetweefsel vertoont zich als eene hypertrophie van het normale, of als een infiltraat, of als zelfstandige gezwellen (lipoinata; steatomata, d. z. vezel-vetgezwellen). Het vrije vet vindt men als infiltraat of in vloeistoffen opgehangen; het kan uit verschillende vetsoorten bestaan (I. bl. 136).

De vetccllen in vreemde weefsels komen met die van het physiologische vetweefsel volkomen overeen; zij zijn rond of rondachtig (van 0,018—0,036'" dm.), glad, met eene glinsterende, sterk lichtbrekende oppervlakte, met scherpe en donkere' omtrekken bij doorvallend licht. Zij onderscheiden zich van de vetdroppels door hare reactie op azijnzuur, die op de aanwezigheid van een vliezig omhulsel berust. Dit omhulsel (celwand) is meestal zoo fijn, dat het als eene van den inhoud afgescheidene laag niet duidelijk kan waargenomen worden; is het echter dik, dan vertoont het eene celkern van eene ronde of ovale gedaante, nu eens afgeplat, dan niet, in de dikte van den wand bevat. Zeer dikwijls puilt de wand op de eene of andere plaat s bultvormig uit en daar vindt men dan eene kern of sporen derzelve. Somtijds komen er twee kernen voor, dikwijls ontbreekt de kern ook; somtijds lost zij zich tot korreltjes op, menigmaal bevatten de cellen ook stervormige, gestraalde kristallisatiën (margarin en margarinzuur). Azijnzuur maakt het celvlies permeabeler en schijnt het eindelijk op telossen; door dit zuur worden de vetccllen namelijk aanhoudend kleiner, terwijl haar vette inhoud in de gedaante van kleine pareltjes aan de oppervlakte der cel naar buiten treedt, of in eenen fijnen maar onafgebroken stroom uitvloeit en zich tot groote droppels verzamelt.

De wijze van ontstaan der vetccllen in vreemde vormsels is, volgens engel, nog zeer duister, en het schijnt wel dat het meerendeel der zoogen. vetcellen in pathologische voortbrengselen geene ware cellen zijn. Het gelukt namelijk nimmer in dezelve eene kern te ontdekken, of den overgang van eigenlijke cellen in vetcellen aan te wijzen; men vindt ze altijd reeds voltooid. Engel houdt de volgende wijze van ontstaan voor waarschijnlijk : in een glasachtig vlies ontstaat schijnbaar eene grootere of geringere menigte openingen van verschillende grootte en gedaante; dit zijn echter geene eenvoudige openingen, maar gedeeltelijk zakken van verschillende diepte, clie blind eindigen, gedeeltelijk eenvoudige of bogtige verdiepingen. Nu is het mogelijk dat de afzetting van vet in deze verdiepingen plaats heeft, dat daarop de toegang tot de opgevulde verdieping wordt afgesloten, zoodat er nu eene gesloten vetblaas gevormd is en dat eindelijk bet vlies tusschen de afzonderlijke vetblaasjes opgeslorpt wordt, of zich in vezelen verdeelt. Voor deze wijze van ontstaan pleiten, behalve de omstandigheid, dat men nimmer de wijze van ontstaan der vetcellen heeft kunnen waarnemen, ook het menigvuldig voorkomen der glasachtige vliezen te gelijk met het vetweefsel, de naauwelijks ooit waargenomen aanwezigheid van vetvorming in pas ontstane vreemde weefsels, het menigvuldig voorkomen daarentegen van vetweefsel in oude vormsels, in welke de opslorping gewoonlijk tot stand is gekomen, waarop de vorming der beschrevene zakken en holten berust.

Vetdroppels bestaan hoofdzakelijk uit vloeibare vetsoorten (elaïne) en komen in alle mogelijke grootte voor; de grootere, van de doormeting der vetcellen, zijn niet kogelvormig, gelijk de kleine droppels, maar plat, linzenvormig; hunne omtrekken zijn lichter dan die der vetcellen, maar breken het licht op gelijke wijze. De vetdroppeltjes laten zich door drukking, of door schudden, of omroeren der vloeistof verdeelen; ook vloeijen sommige kleinere tot grootere droppels te zamen en vormen eindelijk groote onregelmatige vlekken. Azijnzuur oefent geenen invloed op de vetdroppels uit, daarentegen zijn zij in aether oplosbaar. — Vetkorreltjes verhouden zich even als de vetdroppels, maar stellen kleiner ligchaampjes daar, nameiijk elemen-

Sluiten