Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tier blaasjes van de graaf, waar zij de gele, als corpora lutea bekende likteekenen te weeg brengt enz. j liier gaat de vetmetamorpbose van den celleninhoud uit; in kraakbeenligchaampjes (bij het malum coxae, encliondroom); in zenuwligchaampjes (bij de gele hei senverweeking); in etterligchaampje'sj sarcoom- en colloid-ligchaampjesj in cel vezelen of veze lcel len (zoogen. gestaarte cellen), waar de metamorphose van den inhoud der cel of der kern uitgaat; in zen uw vezelen (in de dij-en gezigtszenuw) j in sp iervezelen (vooral in het hart).

Het kankerreticulum (II. bl. 320) vertoont zich, volgens virchow, op eene tweeledige wijze, somtijds, en dit is meestal het geval, vormt het kleine netvormige figuren, die uit fijne punten te zamen gesteld zijn (d. i. het eigenlijke reticulum), of het stelt grootere hoopen van eene geelwitte, drooge, brokkelige zelfstandigheid daar, die veel op tuberkels gelijken (tuberkelachtige ligchamen).— Het ware reticulum is geheel te zamengeseld uit kleine ligchamen, die alle overgangsvormen van de gewone kankercel tot een hoopje van vetkorreltjes daarstellen. De toedragt bij deze netvorming is zoo, dat er zich kleine ligchaampjes in den celleninhoud, uit de kern of de kernligchaampjes vormen, waarbij door derzelver vermenigvuldiging het kern- en celvlies in atrophie geraken, zoo dat er, na dat zij verdwenen zijn, slechts een eenvoudige aggregaatkogel van vetkorreltjes (ontstekingskogeltje, vetaggregaatskogeltje) overblijft. Het kankerreticulum moet men derhalve als de uitdrukking van eene rugwaartscbe metamorphose, die eigenmagtig in den kanker plaats heeft, beschouwen. — De tuberkelaclitige ligchamen duiden eene vermindering van waterachtige bestanddeelen, eene zekere uitdrooging en verharding van de kankermassa aan. Ook hier neemt men het vrijworden van vet tot aan de ontwikkeling van korrelcellen en vetaggregaatkogels waar, maar zelden in die mate als bij het werkelijke reticulum. Dikwijls treedt er eene langzame vernieling der cellen in, zij schrompelen met hare kernen te zamen, de inhoud wordt onduidelijker, de kern verdwijnt en eindelijk blijven er nog slechts vliezige, vetachtige of korrelige stukken over, die meer of minder met vetkorreltjes bedekt en vermengd zijn. Somlijds geschiedt de verandering der cellen ook op die wijze, dat zij, naarmale van hare verkleining, tevens digter worden en zoo schijnbaar vaste, meer of minder rondachtige of ovale, bleeke, kernlooze ligchamen daarstellen. Eene dergelijke atrophie als de kankercellen, ondergaan ook andere cellen (van de lever, den etter, de kleurlooze bloedligchaampjes enz.). Ook deze cellenatrophie met verdrooging is eene metamorphose van teruggang in den kanker. — Worden deze kankercellen op de tweeledige wijze langzamerhand vernietigd en het vrij geworden vet opgeslorpt, dan ontstaat het kankerlikteeken, het eerst in het middelpunt zigtbaar.

Op de vraag, hoe het (fijnkorrelige) vet in de cellen en vezelen te voorschijn komt, kan men, volgens virchow, drie antwoorden geven: het is als vet van buiten af ingedrongen (hier tegen pleit eehter het fijnkorrelige maaksel van het vet), het bestond reeds vooraf in den inhoud en is door het eene of andere proces vrij geworden; het is door eene metamorphose van den inhoud ontstaan. V. houdt dit laatste gevoelen voor het waarschijnlijkste, te meer dewijl men somtijds kan waarnemen, dat het aantal der protein-molekulen kleiner wordt, naar mate de vetkorreltjes in menigte toenemen.

ƒ) Epidermis- (epitlieiium-) vorming-•

Bij de pathologische epidermis vorming (I. hl. 122) ontdekt men zoowel plaveisel-als cylinder-epitheliumcellen; beide vormen kunnen als zelfstandige gezwellen, of als woekeringen op an-

Sluiten