Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dere vreemde voortbrengselen, of als eenvoudige hypertroph ie der epidermis en van het epithelium voorkomen. Wanneer het epithelium een zelfstandig gezwel (epitheliumkanker; I. hl. 122) daarstelt, dan is de rangschikking der cellen anders dan hij de gewone hypertrophie; meestal zijn de epithelïumcellen, die overigens alle tusschenvormen tusschen de zien pas ontwikkelende en de verdroogde hoornachtige cel aanbieden, laagsgewijs in evenwijdig loopende bladen gerangschikt, die loodregt of onder eenen hoek op den moederbodem staan. Door eene langzame atrophie worden de epidermis cellen in eenvoudige of gespleten staafjes veranderd (engel).

De epidermiskankcr vertoont zich, volgens rokitansky, onder liet mikroskoop, geheel en al uit cellen bestaande, die met de epidermiscellen of de grootere cellen van plaveisel-epithelium volstrekt overeenkomen. De voltooide cellen bezitten niet zelden eenen bijzonderen omvang, zij zijn afgeplat, meestal van eene rhomboidale gedaante, van 1 of 2 ovale, roodachtig of geel roodachtig gekleurde kernen voorzien. De jongere cellen, die aan de losse intercellulaire zelfstandigheid, die ze te zamenhoudt, een mergsponsachtig aanzien geven, zijn kleiner, rondaclitig, rond, helder, of ook rondom de kern, in de gedaante van eenen scherp begrensden kring gegranuleerd en bij dezelven zijn rondachtige, bleekroode kernen voorhanden. De oude cellen zijn schelpvormig plat, hare kern is onduidelijk of volkomen verdwenen. In hare nadere ontwikkeling brengt de cel het niet verder, dan tot eene verlenging in eene rigting, met eene verandering in de gedaante van een scheefhoekig parallelogram of van een handvormig, aan beide uiteinden in een' korte punt uitloopend blaadje j en tot de vorming eener moedercel, in welke eene tweede generatie van cellen plaats heeft; eene ontwikkeling die den grond legt tot eene areolaire rangschikking der omringende elementen. Deze elementen worden door eene zeer spaarzame, onmerkbare intercellulaire zelfstandigheid bij elkander gehouden, maar wijken bij eene matige drukking of de inwerking van azijnzuur uit een, De cellen verhouden zich ook tegenover azijnzuur verschillend, naarmate van haren ouderdom, dewijl de oudere er niet door worden aangedaan, de jongere daarentegen doorschijnender (waarbij de kern duidelijker wordt) en eindelijk opgelost worden. De secundaire rangschikking dezer elementen bestaat: in eene zamenvoeging tot korstachtige, wratachtig bladerige gewrochten; in eene zamenvoeging tot cylindrische vezelen of schachten, die met elkander tot bundels vereenigd aan het vreemde vormsel een vezelig maaksel, eene vezelige breuk verschaffen; in eene areolaire rangschikking, waarbij platte cellen ronde openingen omgeven, in welke een broedsel van jonge, ronde of door wederzijdsche drukking veelhoekige, kernhoudende cellen bevat is.

ff) PigTnentvorming-*

Het pathologische pigment (zelfstandige, gekleurde stof) wordt (volgens virchow) in het algemeen in drie klassen verdeeld: in gekleurde vetsoorten (van geelwit tot botergeel); in onveranderde galkleurstof (cholepyrrhine; I. hl. 150), die alle tinten van safraangeel door donkerbruin tot aan zwartgroen vertoont, in veranderde of onveranderde bloedkleurstof (haematine; I. bl. 150). In eenen naauweren zin neemt men eene nieuwe vorming van pigment alleen bij het voorkomen van korrelig pigment aan en beschouwt het bloedrood als deszelfs bron. — ilet korrelig pigment (I. bl. 122 en 136), dat als bijvoegsel van de verschillende ziekelijke weefsels dikwijls in rijkelijke hoeveelheid voorkomt en ook

Sluiten