Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bokkige cyste een aggregaat van cysten ontstaat, een in veJe vakken verdeeld weefsel, in hetwelk toch de moedercyste door haren omvang en de hoeveelheid van haren inhoud herkenbaar blijft. De onderscheidene dochtercysten hebben meestal eenen verschillenden inhoud, en openen zich dikwijls in elkander of in de moedercyste. 2) Er ontstaan cysten van secundaire vorming op de binnenvlakte der moedercyste en groeijen in hare holte uit j ook deze secundaire cysten kunnen weder moedercysten voor eene tertiaire vorming worden enz. Somtijds woekeren van de binnenvlakte dezer secundaire cysten of ook van de moedercyste vlokkige, bloemkoolachtige, takvormig verdeelde, gesteelde excrescentiën uit, die dikwijls zoo sterk groeijen, dat zij de wanden van al de cysten doorboren. Zij bestaan uit een deels structuurloos, deels gestreept, in celweefsel-fibrillen oplosbaar, in zich zelf geplooid vlies, waarop holle, acinusachtige , op de vlokken van het chorion gelijkende, of van een vezelig blasteem gevulde , van buiten met epithelium bekleede voortbrengselen zitten.

De alveolaire of areolaire weefseltype (I. bl. 113), die in zeer vele en verschillende (goed- en kwaadaardige) nieuwe gewrochten voorkomt, berust, naar rokitansky, insgelijks op de zelfstandige ontwikkeling der moedercel tot eene grootere holte. Deze ontwikkeling kan op tweeërlei wijze geschieden: de moedercel ontwikkelt zich namelijk tot eene ronde of eironde, of tot eene bogtige gekwabde, klierachtig-acineuse holte.

Ontwikkeling der moedercel tot eene ronde of ovale holte, d. i. het eigenlijke zoogen. alveolaire maaksel, ronde of ovale kapsels (folliculaire holten, alveoli) met zelfstandige wanden in een interalveolaire grondmassa. Het alveolaire weefsel heeft naarmate van de grootte zijner alveoli (wier aantal zeer verschillend zijn kan) een korrelig, klierachtig zamenstel, of vormt een aggregaat van blaasjes, ter grootte van papaverzaden tot erwten. De wanden der alveoli zijn tijn en structuurloos, dikwijls geheel onkennelijk , misschien met de interalveolaire zelfstandigheid versmolten of opgeslorpt , zoodat het geheele gewrocht uit een aggregaat van rondachtige of ovale ballen van cellen (dochtercellen), gestaarte cellen en vezelen bestaat, of het vertoont een vezelachtig maaksel. De inhoud der alveoli is, even als die der cysten, zeer verschillend (korreltjes, kernen, cellen, vezelig verlengde kernen en cellen, zakvormige holten, vezelen). De interalveolaire zelfstandigheid verschilt in consistentie van het halfvloeibare tot het vezelachtig kraakbeenige, en vertoont zich ten opzigte van haar maaksel amorph, korrelig of vezelig, meestal komt zij met den wand van den alveolus overeen, somtijds ook met zijnen inhoud. In de vezelige interalveolaire zelfstandigheid slaat zich dat gedeelte der vezelige elementen, dat zich het naast bij den alveolus bevindt, als een kapsel om denzelven heen, terwijl meer naar buiten andere vezelen dezen kapsel verlaten en zich aan vezelbundels aansluiten, die van andere kapsels komen, en zich door de tusschenruimten der alveoli in verschillende rigtingen heenslingeren. Bestaat de interalveolaire zelfstandigheid uit veelhoekige cellen (bij epitheliumkanker) dan voegen zich deze rondom de alveoli als langgerekte, handvormige strepen. Een zamengesteld alveolair maaksel ontstaat, doordat er zich in de wanden der alveoli nieuwe (alveoli van secundaire vorming) ontwikkelen, of dat deze aan de binnenzijde der oude ontstaan. Eene woekerende secundaire alveolus-vorming heeft eene verwoesting der oorspronkelijke ten gevolge, zoodat een groot gedeelte van het weefsel in een vezelig net- of strikwerk verandert, dat door de secundaire alveoli wordt opgevuld. Als endogene vorming komen ook vlokkige woekeringen (zoo als bij de cystoïden) voor, die door haren groei de wanden der alveoli doorboren. — De alveoli zelve zijn insgelijks voor eenen verderen wasdom vatbaar, waardoor zij tot groote cysten

22*

Sluiten