Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

len zich uit kleine, ronde sporen binnen in den haarwortel, verweeken dezen, doen liet haar broos worden, breken en uitvallen.

Zwamvormingen op het slijmvlies komen nimmer ingezonden toestand van dit vlies voor, maar altijd op een in ontbinding verke^rend exsudaat van hetzelve. Zij gelijken nu eens meer op de gistings-, dan eens meer op de vertakte favus-zwammen, of onderscheiden zich ook van laatstgenoemden, door dat zij langere thallusdraden afgeven, die op sommige plaatsen, gewoonlijk aan het einde, opzwellingen vertoonen, in welke zich korreltjes (sporen) ontwikkelen. Men vindt dergelijke zwammen in de aphthae, diphtheritische vliezen, op zweren.

Parasiet-dieren (I. bl. 151): vibrionen, die in bijna alle, in ontbinding verkeerende, proteïn-houdende vloeistoffen voorkomen, vormen nu eens eenvoudige, dan eens meervoudige (tot 2—6), rozenkransvormig aan elkander geschakelde kogeltjes, mei eene zeer levendige, dierlijke beweging. Hiertoe behoort de denticola iu de schots der tanden. — De platluis: bleek, vuilgeel, in het midden roodbruin, kort en breed, bijna vierkant, i/9—1'" lang, de beide voorste pooten zijn tot het loopen, de 4 achterste tot het klimmen geschikt, de breede borst is niet duidelijk van het achterlijf gescheiden. — De hoofd luis: witachtig, de borst langwerpig vierkant, het achterlijf langer dan de borst, van achteren in eene ovale, uitgetande punt uilloopende, zijdelings zaagvormig getand, zwart omzoomd, 2/s—Vs'" lang en alleen van pooten om te klimmen voorzien.— De kleederluis; bleek, slanker en met eenen duidelijker te onderscheiden hals, kortere en smallere borstkas dan de hoofdluis, het achterlijf heeft een afgerond, niet uitgetand einde, de randen zijn niet zoo diep gezaagd.— De ziekenluis: l1//" lang, bleekgeelachtig, met eenen meer ronden kop en grootere, breedere borstkas dan de overige luizen, het achterlijf van de breedte der borstkas, korter, naar achteren een weinig versmald , aan de randen niet gezaagd, maar golfvormig uitgebogen. — De schurftmade: wit, zeer klein (710—V4'"), met een langwerpig rond ligchaam, dat op de rugvlakte, rimpelige strepen vertoont, tusschen welke op de middellijn wratachtige opzwellingen uitpuilen. Aan het voorste uiteinde van het ligchaam bevindt zich in de plaats van hoofd een snuitvormig monddeel, van eene rondachtige, eenigzins plat gedrukte gedaante, dat met 4 haren of borstels bezet is. De inplanting van den snuit in de borstkas verlengt zich in eene rondachtige lijst, die aan de onderzijde van het ligchaam tot nagenoeg op het midden der borstkas voortloopt. Dergelijke vooruitspringende lijsten gaan van de inplanting der pooten uit. De 4 voorste pooten zijn ter zijden van den snuit aan den thorax verbonden, geleed, met haren en borstels bezet; het laatste lid van elke poot eindigt met een zuigkussen (haftscheibe). De achterpooten zijn van zulke kussens verstoken en eindigen in zeer lange borstels. Het achterwaarts stomp afgeronde lijf draagt nog 2 paren borstels, van welke het binnenste een weinig langer dan het andere; de basis der pooten, de lijsten, die van derzeiver inplanting uitgaan en de monddeelen zijn roodbruin gekleurd.—De haarbeursmade: Via — Vs lang en i/-0—Vso"' hreed; hare monddeelen bestaan uit 2 voelsprieten, die eenen snuit tusschen zich hebben, zij gaan onmiddellijk in den thorax over, die ongeveer 1/4 van de lengte des geheelen ligchaams uitmaakt. Aan dezen zijn 4 paren korte, dikke pooten vastgehecht, elk van 3 geledingen, aan het uiteinde met 3 klaauwen , van welke de eene iets langer is dan de beide overige. De borst heeft 4 lijstvormige dwarsstrepen, die zich tot eene in het midden voortloopende overlangsche streep vereenigen. Het achterlijf is langer dan de thorax, achterwaarts afgerond en met eenen donkeren, korreligen inhoud gevuld, het vertoont op zijne geheele oppervlakte fijne dwarsstrepen. Van dezen vorm der haarbeursmade komen vele

Sluiten