Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaande, op zekere plaatsen van het vliezige doolhof. Zij zijn bij de visschen tot geheele groepen van kristallen aangegroeid. Eene uitvoerige beschrijving derzelve zullen wij later laten volgen. Hiertoe behooren verder de steentjes der pijnappelklier, die bij oudere individuen zoo gewoon zijn, dat men ze wel voor normale producten houden moet. Meestal bestaat het hersenzand (acervulus Soemmeringi) uit kogelvormige ligchaampjes; intusschen zag Valentin (1) in eenige gevallen ook kleine quadraatvormige zuiltjes. In de kraakbeenige bekleedsels van ascidia mamillala komen volgens il. Wagner (2) kleine, deels toegespitste, deels stomp afgebrokene kristallen voor. Rhomboëdrische kristallen van koolzuren kalk heeft Turpin (5) aan de binnenste oppervlakte der eischalen van helix ad-x spersa, Valenten in de eischalen der hagedissen (4) en van eenige slangen en sepiën (o) gevonden. Ook in de blinde darinvormige kanalen der vrouwelijke voortplantingswerktuigen van den kakkerlak (blalla orientalis) vertoonen zich kristallen in den vorm van regelmatige spitse rhomboëders of rhomboëdrische plaatjes (6). In polypen, zwammen en in vele planten zijn kristalachtige vormsels in het geheel niet zeldzaam en reeds sedert geruimen tijd bekend.

In vele der aangevoerde gevallen is het echter nog niet uitgemaakt , of de kristallen eenvoudige organische nederslagen, dan wel of zij niet veeleer omkorstingen zijn van organische vorm-elementen, of zij alzoo in het laatste geval hunne regelmatige gedaante niet alleen aan de weeke, organische grondlaag verschuldigd zijn. Dikwijls blijft er namelijk, wanneer men de zouten door zuren heeft opgelost, eene organische massa terug, welke den vroegeren vorm behoudt. Hier zijn drie gevallen mogelijk: 1. De organische stof is slechts een nederslag op het kristal, en hangt uitwendig aan hetzelve aan. 2. Het kristal ligt binnen in eene organische cel, digt door den celwand omgeven. Voorbeelden hiervan heeft Me yen

(1) Verlauf u. Htiden tl. Nerven. S. 48. Fïjj. 25.

(2) Lehrb. d. vergl. Antit. S. GO.

(3) Annales d. sc. nat. 1832.

(4) MiiLLER's Archiv, 183G. S. 250.

(5) Repertor. 1838. S. 311- Fig. 5. 8.

(6) V. Simoil) in MiiLLER's Archiv 183G.S. 52. Vaiehtin'S Repertor. i. 11a.

Sluiten