Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons uit planten aangevoerd (1). Volgens Krieger (2) zijn ook de oorkristallen der gewervelde dieren elk in een vliezig blaasje ingesloten. Deze kristallen zijn derhalve van de anorganische kristalachtige sedimenten slechts door de plaats, waar zij gevormd worden, onderscheiden. 5. De vorm der schijnbaar kristalachtige ligchamen wordt door de organische grondlaag bepaald, waarin de aardachtige bestanddeelen op eene niet verder verklaarbare wijze worden nedergezet. Dit schijnt bij de kogelachtige vormsels gewoonlijk plaats te grijpen. Zoo komen er b. v. aan de plexus chorioidei en op andere plaatsen der hersenen ovale kogeltjes van eene bepaalde grootte voor, welke onder opbruising in zoutzuur worden opgelost, maar eene cel teruglaten, welke van eene kern voorzien is en den vorm der gangliën-kogelljes bezit (3) ; deze vormde alzoo de grondlaag der kalkdepositie. De door Valento ontdekte kalknederzettingen geven bij verhitting kool, en laten bij de behandeling met zuren eene weeke massa terug, welke uitwendig nog den vroegeren vorm en de vorige stuctuur vertoont. Hetzelfde heeft bij de kreeftsoogen plaats (4). In de urine heeft Vigla zwartachtige kogeltjes gevonden, welke als nederslagen van piszure magnesia werden herkend. Water loste de zelfstandigheid op, welke aan de kogeltjes de zwarte kleur medededeeldc, en deze bleven in den vorm van slijmkogeltjes of nog kleinere terug (ö). Ook de zoogenaamde kristalhoopjes in de bladen van ficus elastica zijn niets anders dan omkorste organische vormsels; van daar ook de uitstekende puntjes, welke ons eene meer naauwkeurige beschouwing doet zien, zonder de aan de kristallen eigendoininelijke scherpe kanten (G). Schijnbaar puntige kristallen worden op die wijze duargesteld, dat verlengde cellen omkorst worden , zoo als bij de beschrijving van het tandglazuursel zal worden aangetoond. De vorm der terugblijvende cel, en vooral de aanwezigheid van de celkern, laten daaromtrent geenen twijfel over.

De vraag, of wij nederslagen dan wel omkorstingen in sommige gevallen voor ons hebben, is in vele opzigten en vooral voor de

(1) Pflanzenphysiologie, 1, 231.

(2) De otolithis, p. 15.

(3) Uemak, Observ. anat. de syst. nerv. structura, p. 21,

(4) Verg. Oesterlen en Müller's Arcliiv, 1810. S. 132

(5) VExperience, 1838. No. 27.

(6) Meyew in Müller's Arcliiv, 1839. S. 255.

Sluiten