Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het radicaal, hetwelk in de plaats van II2 een atoom metaal, b. v. sodium, opneemt, om daarmede een zout, zwavelzure soda, te vormen. — Ik kan hierover niet verder uitweiden en verwijs diegenen , welke deze geschilpunten grondig wil leeren kennen, naar Graiiam's Lehrbuch der Chemie , bearb. von Otto , Braunschw. 1840, S. 526 en volg. (1) en naar het algemeene gedeelte van Löwig's organische chemie, waar ook de beschouwingswijzen van Berzelius, DüMas en Liebig aangevoerd en beoordeeld worden.

Over de wijze, waarop de metalen en metalloïden in de organische stollen bevat zijn, kunnen evenzeer nog steeds verschillende zienswijzen worden gedoogd. Er is reeds vroeger aan de mogelijkheid gedacht, dat zij in de gewone anorganische verbindingen, als koolzure, zwavelzure, phosphorzure, zoutzure zouten enz., bij de naaste bestanddeelen bijgemengd of in geoxydeerden toestand met dezelve verbonden konden zijn. Er liet zich daartegen aanvoeren, dat zij dan door middel van de gewone herkenningsmiddelen herkenbaar moesten zijn. Intusschen heeft II. Bose de waarneming gemaakt , dat na de vermenging van kleine hoeveelheden ijzeroxydezouten met de waterachtige oplossingen van meerdere indifferente organische stoften, bepaaldelijk van eiwit, suiker, gom enz., door de toevoeging van alkali geen ijzer wordt nedergeslagen, en dat noch zwavelwaterstof noch galnoten-aftreksel eenige reactie op ijzer te weeg bragt. Derhalve kon het ijzer desniettegenstaande als oxyde in het bloed aanwezig zijn en slechts door de aanwezigheid van eiwit verborgen worden gehouden. Maar ook de bekende proeven van Engelhart spreken daartegen. Engelhart leidde door eene waterige oplossing van bloedrood eenen stroom chloorgas. De dierlijke stol werd daarop in vólkomen witte vlokken nedergeslagen, in verbinding met zoutzuur, en liet bij de verbranding geene asch achter; het geheele gehalte aan ijzer, phosphorzuur, kalk en alkali bevond zich, door chloor opgelost en van de dierlijke stof gescheiden, in de vloeistof. Daar nu geene zuren, maar zoutvormers de delfstofl'elijke bestanddeelen van het bloedrood scheiden, en daar de zoutvormers geene verwantschap tot oxyden bezitten, zoo moet men

(1) ^ an hot gedeelte, dat uvrr de scheikunde der bewerktuigde ligchamen handelt, is eene Nederduitsche vertaling door Dr. c. de Bordes geleverd. Amsterdam, bij J. NoordendoBp. vert.

Sluiten