Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al schijnt hel ook, dat wij voor den oogenblik er nog van moeten afzien, om de krachten te kennen, van welke deze ontledin-

Van deze is de scheikundige werking onderscheiden, welke van stoffen uitgaat en op andere wordt overgedragen, terwijl de oorspronkelijke stoffen daarbij ontleed worden, zonder dat die een harer bestanddeelen aan de nieuwe produkten afstaan (fermentatie). Zeer vele organische stoffen in vloeibaren staat vertoonen, wanneer zij aan eene bepaalde temperatuur blootgesteld worden, eene inwendige beweging, leveren gasbellen op, en ondergaan daarbij scheikundige verandering. Alle plantensappen , vooral de suikerhoudende, zijn in dat geval. Deze verandering wordt voortgebragt door geheelenal van elkander onderscheidene stoffen, maar gaat altijd uit van zeer zamengestelde organische ligchamen. Naarmate een organisch ligchaam uit een grooter aantal atomen zijner elementen bestaat, naar die mate worden deze elementen gemakkelijker omgezet, en ontstaan er alzoo gemakkelijker nieuwe verbindingen uit. Onder deze behooren eiwitstof, vezelstof, geleistof der dieren, eiwitstof der planten, gluten en alle stoffen, die deze bevatten. Wanneer eene dezer zelfstandigheden gemengd is met suikerhoudende ligchamen, dan worden er spoedig de genoemde verschijnselen waargenomen , en er ontstaat hetgeen wij gisting noemen. Volgens Liebig wordt dan de suiker in C02 en alcohol veranderd, doordien de scheikundige krachten, die de atomen van suiker binden, gestoord worden, ten gevolge van de ontleding in eene der genoemde complexe stoffen, eene ontleding, die steeds voortgaat, en zoolang zij voortduurt, alle organische scheikundige krachten rondom zich stoort. Groot zeker is de invloed van scheikundige krachten in werkzaamheid, op het opwekken van nieuwe krachten in andere stoffen in het algemeen. Maar indien deze meening juist is, dan moet of eiwit altijd in eenen ontleed wordenden toestand verkeeren, of de fermentatie eerst dan aanvangen, wanneer deze complexe stoffen beginnen ontleed te worden, cn die ontleding van eiwit moet dus nog van iets anders afhankelijk wezen. Het eerste wordt door de waarneming niet bevestigd, daar de gemelde complexe stoffen vooreerst niet te gelijk gevormd en tevens ontleed kunnen worden, en zij dus in het organische voorwerp niet kunnen worden gevormd en in eenen ontleed wordenden toestand tevens kunnen zijn. Maar de waarneming leert ook, dat zij buiten het organische voorwerp, dat hen heeft, voortgebragt, eenigen tijd kunnen bewaard worden, zonder verschijnselen van ontleding op te leveren; wanneer zij gedroogd zijn, b.v., kunnen zij zeer lang worden bewaard. Vanwaar nu de ontleding aanvangt in de genoemde complexe zelfstandigheden is niet uitgemaakt; het zijn scheikundige krachten, die de complexe stoffen zamenhouden, en deze kunnen door geenc andere dan door scheikundige krachten gestoord worden. Hoewel Liebig aanneemt, dat de gist steeds in eenen ontleed wordenden toestand verkeert en die ontbinding zich op andere voorwerpen overplant, die in den kring van werking begrepen zijn, blijft het altijd nog eene vraag, hoe de gist in den ontleed wordenden toestand begint te komen. Is er nog eene andere stof, die gist doet ontleed worden, even als gist suiker doet? Doen wij suiker in € O2 en alkohol veranderen door lijm, die jaren lang onveranderd bewaard was, die jaren lang in

Sluiten