Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen van organische stof afhangen, zoo zijn toch de veranderingen zelve voor de waarneming toegankelijk en beloven zij voor de phy-

eenen toestand van niet ontleed worden verkeerde, zoo is de vraag": hoe begint de lijm, als van haar de alkoholvorming, de gisting uitgaat, ontleed te worden? waardoor geraakt zij in dien toestand? Deze vraag blijft nog onbeantwoord. Alleen kunnen wij met Liebig aannemen, dat zeer complexe stoffen los te zamen verbondene atomen bevatten, welke door uitwendige oorzaken even zoo gemakkelijk gescheiden worden, als de fulminaten enz. Tot deze uitwendige omstandigheden behoort zonder twijfel eene bepaalde temperatuur, eene temperatuur, die wel de gemiddelde des dampkrings niet te boven gaat, en dus, zoo als wij ze noemen, laag is, maar die desniettemin evenzeer complexe verbindingen veranderen kan, als eene lioogcre temperatuur alle organische stoffen in eene groote reeks van pyrochcmische produkten kan omzetten, stoffen, wier aard van die temperatuur geheel afhankelijk is. AVanneer wij nu waarnemen, dat de elementen der organische voorwerpen door verschillende temperatuur in verschillenden scheikundigen toestand gebragt worden, zoodat zij nieuwe verbindingen kunnen aangaan, dan kan er aan de warmte een katalytische invloed worden toegeschreven. Passen wij dit toe op hetgeen in die planten geschiedt, waar des winters geene functiën bestaan en met de voorjaars warmte alles herleeft, voeren wij dit door over alle stoffen, die van den invloed der temperatuur meer of min afhankelijk zijn, zoo hebben wij eenig regt, om de warmte als eerste bron der scheikundige wisseling van bestanddeelen in complexe organische stoffen aan te nemen, die dan, eenmaal ontstaan, op andere kan worden overgeplant. De warmte noemen wij dan de stoffen katalyserende; de aanvang der ontleding van gist is alzoo aan eene bepaalde katalyserende temperatuur toe te schrijven.

De organische complexe voorweqjen wordendoor verschil in temperatuur ligtelijk omgezet, en deze omzetting plant zich ligt mede aan andere organische voorwerpen, die daarmede in aanraking zijn. Dit is stellig bewezen, en de eerste bron van scheikundige werking, die van complexe organische stoffen uitgaat en op andere ligchamen wordt omgeplant, stellen wij ons, naar hetgeen wij waarnemen, niet in die ligchamen zelve, maar in de temperatuur, en noemen in dien zin, in denzelfden, waarin Berzeliüs dit genomen heeft, de temperatuur katalyserende, een vermogen hebbende, om de scheikundige krachten, die in de elementen schuilen, die ze te zamen tot één geheel verbinden, te wijzigen, te versterken in sommige, te verzwakken in andere, daardoor gestoord scheikundig evenwigt en alzoo ook het onstaan van nieuwe ligchamen tot gevolg te hebben.

Door deze ontleding van organische stoffen kunnen er in anorganische stoffen krachten opgewekt worden, welke somtijds andere wetten volgen dan die, welke gewoonlijk in minerale stoffen voorkomen. Zoo wordt er b. v. uit sulphas sodae, wanneer het aan de inwerking der rotting wordt blootgesteld, koolstofzure soda en gezwaveld waterstofgas gevormd. Het koolstofzuur ontstaat uit de gisting der rottende stoffen; maar het zwavelzuur wordt hier, tegen alle gewone scheikundige wetten aan, ontleed, verliest ,dcszelfs zuurstof, terwijl er ook water ontleed wordt,

Sluiten