Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ruin van menschen, wanneer men het met cruor roert en zich daarna weder laat afscheiden, terwijl aan den anderen kant het eiwit van hoenders somtijds ook met aether niet stolt. Hünefeld trekt daaruit het besluit, dat het eiwit somtijds nog vezelstof opgelost bevat.

Zuiver gestold eiwit verkrijgt men op die wijze, dat men eiwit of bloedwei verhit en de massa achtereenvolgens met koud water, alkohol en aether uittrekt, of door het nederslaan eener oplossing van zoutzure albumine met koolzure ammonia en het afwasschen van den nederslag met water en uitkoken met alkohol. Dat, hetwelk op de eerste wijze bereid is, bevat nog phosphorzure kalkaarde; het op de tweede wijze verkregene is door het zoutzuur daarvan bevrijd.

Het gestoldo eiwit komt geheelenal met 'de proteine overeen. Het is wit, ondoorschijnend, vast; gedroogd is het hard en doorschijnend, in water niet of naauwelijks oplosbaar, namelijk van 7 deelen op 1000 deelen water. Het eiwit der bloedwei bestaat, volgens Mulder, in 100 deelen uit stikstof — 15,85.

koolstof — 154,84. waterslof— 7,09. zuurstof — 21,23. phosphor — 0,55. zwavel — 0,68.

De hieruit berekende formule is N100 C40o H620 O120 + PS2, het atoomgewigt = 55985,78. De albumine der wei schijnt alzoo eene verbinding van 10 atomen proteine met 1 atoom phosphor en 2 atomen zwavel; de albumine der eijeren bevat slechts de helft zwavel, derhalve 1 atoom zwavel en 1 atoom phosphor. Zoo echter de vrije soda, die daarin aanwezig is, vóór het koken met azijnzuur wordt verzadigd, dan komt zij geheelenal met het eiwit van het bloed overeen. Bovendien zijn er in de albumine nog eenige zouten aanwezig, namelijk phosphorzure en zwavelzure, alsook chloorsodium. Uit het eiwit van eijeren verkreeg Mulder 2,05 °/0 asch, grootstendeels phosphorzure kalkaarde. De hoeveelheid van den phosphor in deze zouten komt volgens Mulder met de hoeveelheid van den vrijen phosphor in de albumine overeen.

Sluiten