Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zuur voegt, dan ontstaat er dientengevolge eerst eene troebelheid, welke weder verdwijnt, wanneer men er meer zuur bijvoegt; gaat men nu met het toevoegen van zuur voort, dan ontstaat er een nieuwe nederslag, welke eindelijk eveneens weder wordt opgelost, en wel bij het bezigen van minerale zuren met eene sterke kleurverandering, van geel, purper, tot het blaauwe overhellende. Valentin (1) onderscheidt den eersten en tweeden nederslag als eenen mikrolytischen en makrolytischen, en eveneens de oplossingen in kleinere en grootere hoeveelheden zuur als mikrolytische en makrolytische oplossing (2). Uit de zure oplossingen wordt de eiwitstof, even als de proteine, door bloedloogzout nedergeslagen.

Verdunde bijtende en koolzure loogen reageren op het vloeibare eiwit niet en verhinderen zijne stremming in de hitte; zamengedrongene alkalische oplossingen doen het eiwit stollen; kaustische alkaliën lossen het gestolde op.

De albumine verbindt zich met zuren en bases, en kan zoowel in oplosbaren, als in gestremden toestand in de verbindingen bevat zijn. De verbindingen van ongestold eiwit zijn echter zeldzamer en daardoor minder bekend. W anneer men bij eene oplossing van eiwit in water verdund zwavelzuur droppelsgewijs bijvoegt, totdat de vloeistof zuur reageert, dan verkrijgt men eene waterheldere oplossing van zwavelzure albumine, die tot eene doorschijnende

1) Repertorium, 1837, S. 177.

2) Uit deze eigenschap van de albumine zijn de verschillende uitspraken omtrent hare oplosbaarheid verklaarbaar. Nadat eerst Berzeiids eene juiste voorstelling van de zaak gegeven had, hebben Beaümont, Eberle, Mülier en Schwann (Zie Mülier's Physiol* 1, 543) de oplosbaarheid van het eiwit en de vezelstof in verdunde zuren ontkend; het maagsap zoude niet door zijn zuur, maar door eene eigenaardige dierlijke stof, pepsine (z. o.), oplossend op deze stoffen ■werken. Valentin sloot zich echter aan Berzeiiüs aan, en Wasmann vond eveneens, dat zeer dunne eiwitstukjes, na eenige dagen in zuren te hebben gemacereerd, volkomen opgelost werden. Schwann heeft opgegeven, dat het zuur van liet maagsap gedurende de spijsvertering niet vermindert, en dat alzoo de oplossing van het eiwit niet het gevolg van zijne verbinding met het zuur is; Wasmann daarentegen maakte de opmerking, dat, wanneer de oplossende kracht van liet maagsap uitgeput is, zijne werkzaamheid door bijvoeging van zuur, maar niet door bijvoeging van pepsine, kan hersteld worden. Volgens hem is ook het zuur het oplossingsmiddel in het maagsap, en de pepsine dient slechts, even als de warmte, om de oplossing te bespoedigen.

Sluiten