Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vliezen uitmonden, afstammen, in zoo verre als Je afscheidings-produclcn der laatsten zich niet door ecne specifieke slof kenmerken, als speeksel, gal, urine, enz.

Onder deze definitie zijn drie, naar haren oorsprong, beteekenis en zameristelling verschillende stollen zamengenomen , en wel:

1. De afgestootene opperhuid (epilhelium) der slijmvliezen. Even als op dc uitwendige huid, worden ook op vele slijmvliezen de bovenste lagen der opperhuid bestendig afgestooten en door de van onderen af opgroeijende vervangen. De afgestootene lagen bedekken, als een gemakkelijk weg te vegen overtreksel, de oppervlakte van het slijmvlies, en worden door de waterachtige afscheidingen der slijmklieren en op eene menigte andere, meer toevallige wijzen weggespoeld. Dit proces van opperhuidvorming kan op sommige plaatsen ziekelijk vermeerderd zijn, of er kunnen grootere massa's door uitzweeting onder de opperhuid afgestooten worden.

2. Etter. Eene met eene grootere of kleinere hoeveelheid eigenaardige korreltjes vermengde vloeistof, welke zicli in geprikkelde en ontstekingaardige toestanden der slijmvliezen op hunne oppervlakte, onder het epilhelium, vormt. Etter is ook de uitvloeijende stof bij verkoudheid, catarrhus, druiper, witten vloed, en bij vele zoogenaamde slijmige en waterige diarrhoeën.

3. Het vloeibare secretum der slijmklieren, het eigenlijke slijm of slijmvocht, dat voor de slijmvliezen datgene is, wat het zweet voor de mtwendige huid vormt. Een klein aantal der later te beschrijvcne slijm- of etterbolletjes is ook bij deze vloeistof bijgemengd.

Van elk dezer drie verschillende stoffen bestaan weder verschillende soorten, die ook scheikundig ccnig verschil aanwijzen. Waar fle opperhuid verschillende lagen vormt, worden de cellen der bovenste lagen niet in azijnzuur opgelost; die der diepere lagen zijn in azijnzuur oplosbaar, en eveneens ook dat fijnere epithelium, welks °cellen slechts éénc eenvoudige laag vormen. De etter bevat meer of minder vet; hij is verschillend, naarmate hij door eenvoudige of door dyscratische ontsteking gevormd wordt. Eindelijk kan ook het slijm van verschillende ligchaamsdeelen geheel en al van elkander verschillende eigenschappen bezitten.

De tot nog toe in het werk gestelde scheikundige onderzoekingen bepalen zich óf tot etterachtige afscheidingen, b. v. het slijm, d^t uit den neus en uit de longen komt, óf tot epilhelium; van den laatslen aard is het slijm, dat bij het speeksel, de gal, de drekstoffen en de urine gemengd is. In alle deze gevallen heeft men derhalve 1° eene vloeistof van eene zeer verschillende chemische constitutie, en 2° de in haar opgehangene mikroskopische elementen van den etter cn dc opperhuid, welke op het filtrum achterblijven. Dit overblijvende, uilgewasschen en gedroogd, stelt eene doorschijnende en hrooze massa daar, die men als slijm in zuiveren toestand beschouwt. Zij is in kond en kokend water onoplosbaar, doch heeft het vermogen van daarin op te zwellen, daar de blaasjes, uit welke zij bestaat, water aantrekken en zich daarmede uitzetten. Water en azijnzuur trekken er kleine hoeveelheden van oplosbare zelfstandigheden uit, die met de bestanddeeleu van bloedvocht overeenkomst bezitten, en door looistof en bloedloogzout worden nedergeslagen. Sterke zuren cn bijlende potasch

Sluiten