Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inenten onveranderd in liet menstruum slechts verdeeld zijn. Azijnzuur lost misschien eveneens de intercellulaire zelfstandigheid op; in alle gevallen maakt het haar doorschijnend, zoodat de afzonderlijke schubjes duidelijk worden.

In vele opzigten bezit de opperhuid met het slijm overeenkomst; zij zwelt op dezelfde wijte in koud en heet water op, zonder opgelost te worden. Ook in azijnzuur is zij onoplosbaar; of dit zuur iets uittrekt, is niet bekend. In zaïnengedrongene zuren en loogen lost zich de zelfstandigheid van het cellen-membraan even als de inhoud op, wanneer deze nog als zoodanig aanwezig is.

Daar het zich niet laat uitmaken, welk aandeel de afzonderlijke best.anddeelen der hoornweefsels aan de reactiën hebben, die aan de hoornstof toegeschreven worden, zoo geef ik er de voorkeur aan, om hunne scheikundige verhouding bij de beschrijving der weefsels op te geven (1). Latere onderzoekingen zullen welligt aantoonen, dat de cellen of derzelver inhoud of beide uit eene wijziging van albumine bestaan, hetgeen reeds dikwijls is vermoed en ook door de ontwikkeling der opperhuid waarschijnlijk wordt gemaakt.

II. EXTRACTIEFSTOF.

De dierlijke vloeistoffen, uit welke de proteine-verbindingen gedeeltelijk door vrijwillige stremming, gedeeltelijk door coagulatie door middel van warmte of andere geschikte middelen nedergeslagen zijn, bevatten nog een aantal van zouten en van organische stikstofhoudende verbindingen opgelost, welke na de verdamping als eene vormlooze massa achterblijven. De zouten zijn melkzure potasch, soda, melkzure kalkaarde en bitteraarde, en sporen van melkzure ammonia met chloorpotassiuin en chloorsodium (alle in wijngeest oplosbaar); verder phosphorzure soda en phosphorzure kalkaarde, misschien ook een zwavelzuur zout (slechts in water oplosbaar) . De organische verbindingen worden onder de benaming van dierlijke extractiefstof, extractaardige stof zamengevat.

Da dierlijke extractiefstof is eveneens algemeen verspreid als de proteine-verbindingen, daar de vloeistoffen, in welke beide opgelost zijn, alle deelen doortrekken en in nagenoeg alle uit het bloed afgescheidene stoffen overgaan. Zij bevindt zich in het bloed, in de gal, de melk, de urine, het slijmvocht, het speeksel, in alle weeke weefsels, het overvloedigst in het spiervleesch, uit hetwelk zij door uitpersing en uitdamping van het uitgeperste wordt verkregen. Zij wordt daarom ook vleesch-extract genoemd. De hier-

(1) De resultaten van later onderzoek behouden wij ons daarom ook daar tor plaatse voor. V£RT.

Sluiten