Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Speekselstof in den geest van G.melln en Tiedemann is al/.oo eveneens een naani voor de gezamenlijke stoffen van het waterextract, als osmazoom voor die van het wijngeest-extract.

Andere eigenschappen vertoont de ptyaline volgens Berzelius, Mitscherlich en Simon. De oplossing dezer stof in water is eenigzins slijinig en wordt door koken niet troebel. Zij laat na de verdamping de speekselstof ongekleurd en doorschijnend achter; zij wordt noch door looizuur, sublimaat of basisch azijnzuur loodoxyde, noch door sterke zuren nedergeslagen.

Het verschil is, naar ik geloof, daarvan afkomstig, dat de genoemde scheikundigen bij hunne bereiding der speekselstof het vrije alkali met azijnzuur of verdund zwavelzuur onzijdig maakten, misschien ook eene verbinding der extracttiefstof met het zuur deden ontstaan, welke oplosbaar bleef en door de herkenningsmiddelen niet meer nedergeslagen werd. Geene der verschillende extractiefstoffen wordt door azijnzuur, verdunde of geconcentreerde minerale zuren nedergeslagen , cn men kan daarom wel aannemen, dat er oplosbare verbindingen worden voortgebragt. Ook vond Pappenheim, dat de nederslagen der speekselstof met ijzer-, koper- en andere zouten in zuren oplosbaar waren, en dat elke troebelheid, welke door de genoemde herkenningsmiddelen voortgebragt werden, door kleine hoeveelheden azijnzuur weder verdwenen (1). Daar er uit het speeksel, wanneer het als vleesch-extract behandeld wordt, eene stof kan worden daargesteld, die met het vleesch-extract overeenkomst bezit, zoo zou er nog slechts te bewijzen zijn, dat vleeschwater, hetwelk op de genoemde wijze als het speeksel met zuren werd behandeld, ook de door Berzelius beschrevene soort van speekselstof opleverde.

Speeksel verandert volgens Leüchs (2) zetmeel in suiker, hetgeen door Schwann wordt bevestigd. Deze werking schijnt echter niet van de ptyaline af te hangen, want Serastian kon met zuivere speekselstof deze verandering niet voortbrengen (3).

(1) Die Verdauung, 135, 137.

(2) Poggendorf, Annal. XXII, S. G23.

(3) v. Setten, De saliva, ejusque vi et ulilitale, Grcninj. 1837, p. 33.

Sluiten