Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De haematine verbrandt, zonder te smelten en op te zwellen, met eenen reuk naar hoorn; bij de drooge destillatie levert zij ammoniakale stoffen; door zamengedrongene minerale zuren wordt zij ontleed.

en er "wordt sulphas ferri in de vloeistof bespeurd. Op de7.e wijze kan men al liet ijzer oplossen en de organische elementen C4.4 H44 ()(; Nq te zamen verbonden verkrijgen, tiet ijzer is niet los, maar zelfs zeer innig met deze vier organische elementen verbonden, zoo zelfs, dat goed bereide haematine (bereid volgens de wijze van Berzeiius boven opgegeven) vele dagen met verdund zout- of zwavelzuur kan digereren, zonder dat de hoeveelheid ijzer in het minst vermindere. Zoodanig behandelde haematine gaf Mulder na de verbranding nog 9.49 pCt. ijzer-oxyde, hetgeen steeds de hoeveelheid is, die van goed bereide haematine bij de verbranding overblijft. Het is dus onjuist, dat men het ijzer anders uit bet bloed kan wegnemen, dan door tevens den aard der kleurstof geheel te veranderen. Liebig grondt zich op de waarneming, dat inen uit gedroogd bloed door verdunde zuren ijzer kan oplossen. Maar ook in andere bestanddeelen des bloeds komt ijzer voor, behalve in de kleurstof. Zuiver seruin laat, even als kippen-eiwit, na verbranding eene ijzerhoudende asch na. Het is dit ijzer-oxvde, hetwelk verdunde zuren uit gedroogd bloed kunnen uittrekken, geenszins dat der kleurstof, zoo als Liebig meent (z. Dierlijke Scheikunde, Nederduitsche uitgave van Dr. Donders, bladz. 235).

In de kleurstof, zoo als die zuiver verkregen wordt , moet men zich het ijzer voorstellen, als in den toestand, waarin het in het art erieuse bloed verkeert. Hierin kan het nu óf zoo zeer geoxydeerd wezen, als het zijn kan, Fe2 03 (ijzerzuur van FREMr zal men daarin niet vooronderstellen) óf als organisch bestanddeel met C II N O verbonden, en dus niet als oxyde, maar als ijzer.

Bij de gemakkelijke veranderlijkheid, die Liebig in dit ijzer aanneemt van carbonas protoxydi ferri in deutoxydum (bij de verandering van veneus in arterieus bloed) en omgekeerd, moest men van de kleurstof al het ijzer door een slap zuur kunnen uittrekken, hetgeen in het minst, zoo als wij zoo even zagen, het geval niet is. De beurtelingsche verandering van het ijzer is daarom onmogelijk. Maar daarenboven is er volgens Mulder nog eene andere reden, welke ontegenzeggelijk bewijst, dat het ijzer in de kleurstof, aan de lucht bereid, en dus in den toestand, waarin het in slagaderlijk bloed voorkomt, niet als deutoxyde aanwezig is, want de kleurstof wordt vooreerst door sterk zwavelzuur van ijzer onder ontwikkeling van hydrogenium bevrijd, hetgeen niet geschieden kan, als er F e2 O3 in wordt aangetroffen; ten andere blijven er. wanneer al liet ijzer verwijderd wordt, van C44 N6 06 Fe over C« II44 N" 06. terwijl er 04} overblijven moest, indien werkelijk Fe2 O3 met 2 (C44 II14 NS O41) waren verbonden.

Mulper houdt het daarom voor uitgemaakt, dat niet Fe2 O3 in de kleurstof voorkomen kan, maar dit ijzer hierin even zoo wordt gevonden, als het jodium in spons, als zwavel in cystina, of nog liever als hel arsenicum in het cacodyl. Verg. Physiol. Scheikunde. bladz. 3G4 en volg. Vert.

Sluiten