Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beenmerg behoort. Uc betrekkelijke hoeveelheden dezer stollen loopen bij de verschillende diersoorten zeer uiteen, en daarvan is de vastheid van het vet afhankelijk. Hoe meer elaïne er in bevat js, des te weeker en vloeibaarder is het vet; de vetsoorten, waarin het het hoofdbestanddeel vormt, worden oliën genoemd; die van eene middelmatige consistentie noemt men smeer, en aan de hardste vetsoorten geeft men bij voorkeur den naam van vet. In het vet vormt de stearine, in het smeer de margarine hoofdzakelijk het vaste bestanddeel. liet menschenvet behoort tot de smeersoorten en wordt eerst bij -}- 17° en daaronder vast. De vastheid schijnt ook in hetzelfde ligchaam niet overal dezelfde te zijn; het nierenvet is bij 17 geheel en al vast; het vet in het onderhuidscelweefsel is bij 15° nog geheel en al vloeibaar (Ciievreul). Reuzel, welke nog iets vaster is dan menschenvet, bevat 62 deelen elaïne en 38 deelen margarine eu stearine.

Het vet vormt bovendien een wezenlijk of toevallig bestanddeel van vele weefsels en vloeistoffen. liet is, zoo als vermeld is, een wezenlijk bestanddeel der hersenen, de elaïne namelijk en het cerebrine- en oleophosphorzuur; liet hoopt zich onder zekere omstandigheden in de cellen der kraakbeenderen op. Standvastig wordt het in de chijl, in den etter, in het bloed, in de gal en melk gevonden. In de melk komen behalve de gewone vetsoorten ook butyrine, caprone en caprine voor. Andere afgescheidene vloeistoffen voeren kleine hoeveelheden vet mede, zelfs de urine. Alle proteineverbindingen, die men uit dierlijke vloeistoffen bereidt, bezitten eenig vet, dat haar door aether of kokenden wijngeest onttrokken wordt. Of dit vet er somtijds scheikundig mede verbonden zij, moet men betwijfelen. In de chijl en de melk is het in cellen , in den vorm van kleine blaasjes ingesloten; in den etter schijnt het de kernen der etterbolletjes te vormen; bovendien worden er steeds ook grootere en kleinere vetdroppels ontdekt, welke zich mikroskopisch van de overige vloeistof en ook van de vetcellen of blaasjes laten onderscheiden. Zij zijn plat, terwijl de vetblaasjes rortd zijn, en daarom, hoewel de zelfstandigheid in de droppels en blaasjes dezelfde is, schijnbaar een veel sterker lichlbrekingsvermogen en meer donkere omtrekken bezitten. De grootte deidroppels is bovendien minder bestendig dan die der cellen , en de

Sluiten