Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoek van het bindweefsel moest een aanvang gemaakt worden, en sedert den tijd, dat dit (1854) nagenoeg gelijktijdig en op gelijke wijze door Krause, Lautii en Jordan beschreven is geworden, volgen ontdekkingen op ontdekkingen met eene zoodanige snelheid elkander op, dat er tegenwoordig, door den ijver tot het doen van waarnemingen, nagenoeg de tijd en de adem ontbreekt, om een systeem daar te stellen. Moge het nog eenigen tijd zoo blijven! Wij kunnen steeds nog bouwstoffen verzamelen, eer het noodig en raadzaam is, ze in vakken af te deelen en te rangschikken; wanneer wij slechts ons doel voor oogen houden en geleid en bemoedigd worden door de hoop, van het te zullen bereiken. En inderdaad wordt het steeds duidelijker, dat in alle organen bij eene gelijke functie ook gelijke weefsels aanwezig zijn, dat de verschillende physiologische verschijnselen aan een morphologisch en chemisch verschil der elementaire deelen gebonden zijn, en men zal eenmaal, zoo als Biciiat wilde, het organisme ineen aantal van eenvoudige vormsels ontleden, aan welker namen zich het begrip eener bepaalde vitale werkzaamheid even zoo verbindt, als aan een anorganisch ligchaam het begrip van specifiek gewigt, broosheid, elasticiteit, enz.

De mikroskopische studiën hebben echter ook nog andere vruchten gedragen. Steeds maakte het een eigenaardig streven van den menschelijken geest uit, om de menigvuldige vormen der schepping tot eenvoudige oorspronkelijke vormelementen terug te brengen. Op deze onzen geest ingeschapene neiging zijn de atomenen monadenleer van Epicurus en Leibnitz gegrond, die onafhankelijk van eenige ondervinding en zonder hoop, dat zij eenmaal door haar bevestigd zouden worden , ontstaan zijn. Door dezelfde neiging , bewust of onbewust gedreven, zochten latere onderzoekers met het gewapende oog het ligchaam in de kleinste bestanddeelen van eenen gelijken vorm te ontleden. Als zoodanig boden zich aanvankelijk, vóór dat men het mikroskoop had leeren wantrouwen , de optische schijnbeelden, gekronkelde draden en kogeltjes aan, welke onder zekere omstandigheden bij elk doorschijnend voorwerp verschijnen. Okeiy zag voor monaden de afgietselen zaaddiertjes aan, en dacht zich de hoogere dierlijke en plantaardige organismen uit kleinere, levende wezens zamengesteld, die

Sluiten