Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een omhulsel, dat aan zekere gassen en vloeistoffen den doorgang verleent, zich daarmede uitzet en in omvang toeneemt, en in eenen vloeibaren inhoud, die zich binnen het omhulsel organiseert. liet celvlies vertoont in verschen toestand geene bepaalde structuur, bij welke vergrooting men haar ook beschouwe; intusschen houdt Raspail het per analogiam voor waarschijnlijk, dat het uit korreltjes bestaat, die spiraalvormig om de ideale as der cel gerangschikt zijn. Hij vergelijkt deze cellen als atomen der organische schepping met de kristallen, en noemt de organisatie eene kristallisatie in blazen (crijstallisation vésiculaire); de organische cel is een kristal, dat gassen en vloeistoffen opslorpt, om zich in inwendige werktuigen te veranderen; zij groeit van binnen en door intussusceptie, terwijl het kristal van buiten en door juxtapositie toeneemt. Zoodra de chemische elementen zich in dezen celvorm verbonden hebben, verkrijgen zij bepaalde en bijzondere krachten, en vormen een bijzonder rijk, het organische. Geef mij een blaasje, geschikt om vloeistoffen op te slorpen en er zich mede te vullen, roept Raspail, Arciiimedes parodiërende, uit, en ik wil u een organisme maken.

Als bewijzen voor deze theorie voert Raspail de cellen van het zetmeel in de planten, en die van het vet in de dierlijke ligchamen aan. Deze weefsels heeft hij grondig onderzocht, en allezins zijn zij het meest geschikt om tot de gedachte te leiden, dat planten en dieren in den vorm hunner elementaire deeltjes overeenkomst met elkander bezitten. Daar het nu van de buisachtige

en vezelachtige weefsels der planten reeds uitgemaakt was, dat zij

uit cellen, door verlenging ol meensmeiung aerzeive, onisiaan, zoo nam Raspail dit ook van de dierlijke vezels aan. Tot soortgelijke resultaten kwam Dutrociiet (1) door eene vergelijking van het fijnere maaksel der dierlijke en plantaardige weefsels. Hij leerde de elementen der speekselklieren en der graauwe hersenzelfstandigheid als blaasjes kennen, waarvan de laatste in hunne wanden met puntjes bezet zijn, die hij verkeerdelijk met de stippen der plantencellen vergeleek, en hij kwam verder tot het besluit, dat

(1) Mém. pour servir n Plust, anatom. et physiol. des végétaiuv et des

animaux, II, 408.

Sluiten