Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hardheid van een vlies verkrijgen. Het ontslaan der kernen met ineer dan één kernligchampje stelt Sciiwann zich zoo voor, dat de lagen, die zich om twee naast elkander liggende kernligchaampjes vormen, inéénvloeijen, vóór dat zij naar buiten scherp begrensd zijn. Hetzelfde proces zou zich bij de vorming der cellen om de kern herhalen. Op de uitwendige oppervlakte der celkern zou zich eene laag zelfstandigheid nederslaan, die van het omgevende cytoblastema verschilt, aanvankelijk nog geene scherpe grenzen vertoont, maar bij de voortgaande afzetting zich naar buiten scherper van de omringende zelfstandigheid afscheidt. Ook hier kan het geschieden, dat er twee kernen gelijktijdig door zelfstandigheid, die zich tot eene cel vervormt, ingesloten, en er alzoo cellen met meer dan ééne kern gevormd worden. Wanneer de laag dik is, dan verhardt zich allengs haar buitenste gedeelte tot een vlies, of vertoont zich ten minste meer ineengedrongen, dan het binnenste gedeelte. Het vastgewordene celvlies zet zich allengs uit, verwijdert zich van de celkern, en de ruimte tusschen celvlies en kern wordt met vloeistof aangevuld.

Wat nu vooreerst het ontstaan der celkern betreft, zoo zijn Schwann's beschouwingen daaromtrent, daargelaten de vooronderstelde analogie met de planten , op twee onzekere waarnemingen gegrond. R. Wagner (1) heeft de ontwikkeling der eijeren in den eijerstok van Arjrion virgo nagegaan, en daarbij waargenomen, dat zich het eerst de kiemvlek, daar om heen het kiemblaasje, en eindelijk om het kiemblaasje de dojer met het dojervlies vormden. Ueschouwt men met Schwann het geheele ei (PI. Y, fig. 23) als ééne cel, het kiemblaasje (e) als de celkern, de kiemvlek (f) als het kernligchaampje, dan zou daardoor allezins het vooraf bestaan van het kernligchaampje bewezen zijn. Maar deze opvatting is nog aan vele bedenkingen onderhevig; zij berust voor een gedeelte juist op de vooronderstelling, welke zij zou moeten bewijzen, namelijk op de vooronderstelling, dat de vorming van het kernligchaampje aan de vorming van de kern voorafgaat; vele gronden echter, welke eerst in de bijzondere beschrijving kunnen worden

(1) Ab7ia?idlunge?i der mathemat isch-phi/sileal. Classe der haier. Akad. der Wissen5chafte?i, Bd. II» S. 531 , Taf. II, Fig. 1.

Sluiten