Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

even als de kern der slijmbolletjes, wordt ontleed. De bolletje der lymphe (PI. IV, fig. 1, E), die ook in het bloed nog voorkomen en ongetwijfeld in bloedbolletjes overgaan, zijn slechts door hare mindere grootte van de etterbolletjes onderscheiden. Bovendien bevatten de lymphe en-de chijl aanvankelijk, even al de pas gevormde vloeistof op wonden, de kleine kerntjes afzonderlijk, die later door hunne verbinding met elkander de cytoblasten uitmaken. Splijtbare cytoblasten vond ik verder in de jongere epitheliumlagen (PI. I, fig. 7, a), hoewel zelden. Valen'Tin (1) trof ze eindelijk ook bij het embryo aan in de cellen, waaruit spieren zenuwweefsel gevormd worden, en Scüwann heeft zelfs eene zoodanige cytoblast uit de spier van een zwijnen-embryo afgebeeld (2). Iloe zal men zich bij deze wijze, waarop de cytoblast ontstaat, de vorming van het kernligchaampje verklaren? Daarvoor laten zich nog slechts onderstellingen geven. Wanneer men hunne ligging en hun aantal met het aantal der korreltjes vergelijkt, door welker vereeniging de celkernen ontstaan, dan kan men tot de gedachte komen, dat het overgeblevene openingen zijn, met eene zelfstandigheid gevuld, welke van die der overige cytoblasten verschilt.

De ontwikkeling der cel om de kern begint, zoo als uit de zoo even medegedeelde waarneming van Vogel en uit mijne onderzoekingen omtrent de bloedbolletjes blijkt, nog vóór dat de versmelting der korreltjes tot cytoblasten is begonnen. Wanneer de kern vastgeworden is, dan groeit de cel voort, wordt dikker, en vult zich met haren specifieken inhoud. Slecht bij uitzondering bevinden er zich in het slijm groote, met de epitheliumcellen der oppervlakkige laag overeenkomstige cellen, welker kern nog door azijnzuur ontleed wordt (5). Dat, zoo als Sciiwann opgeeft, de cel het eerst als eene laag van fijn korrelige en nog niet naauwkeurig begrensde stof op de kern wordt nedergezet, en later door verdikking op de oppervlakte een blaasje wordt, is wel is waar zeer waarschijnlijk, maar ook nog geen eigenlijk resultaat der waarneming. Schwann zelf beroept zich op eene,

(t) Müller's Arcluv, 1840, S. 202, 219.

(2) ftlikroskopische Unters. PI. III, I'*J13.

(3) Schtcim und Eiler, S. 18.

Sluiten